VU Magazine 1991 - pagina 49
Een relatief begrip
D
e zon wordt samengeperst totdat ze een straal heeft van drie kilometer. De zwaartekracht aan de rand neemt enorm toe. En daardoor verloopt de tijd steeds trager, totdat ze stilstaat. Het licht heeft geen snelheid meer en wie vanaf de aarde naar de zon kijkt, ziet een zwart gat. Dit soort uiteenzettingen kun je bereidwillig proberen te volgen. Maar soms vraag je je af: is dit nu exacte wetenschap? Er wordt nogal een flink beroep gedaan op de verbeelding van de toehoorder. En het verhaal is nog niet afgelopen. Een reiziger nadert het zwarte gat. De tijd gaat voor hem steeds langzamer, maar hij merkt dat niet. De fysische en biologische processen voltrekken zich immers ook steeds trager. Uiterst langzaam knippert de reiziger met zijn ooghd, maar voor zijn gevoel gebeurt dat in normaal tempo. Stel je nu voor dat het gezichtsvermogen van deze reiziger onbeperkt is en dat hij omblikt naar de aarde. Die begint steeds sneller te tollen. Wijzers schieten over wijzerplaten en ergens in een classicistische zaal in Haarlem - met aan de muren de namen en beeltenissen van Lorentz, Van 't Hoff", Huygens en anderen staat een spreker, die gedurende een fractie van een seconde zijn mond opent. Even later is niet alleen die man verdwenen, maar is ook het complete Teylers Museum, waar de bijeenkomst plaatsvond, met de grond gelijk gemaakt. Voor het idee van de mensen op aarde duurde de lezing veel langer, wel anderhalf uur. En eigenlijk was dat nog te kort voor wat de spreker allemaal had mee te delen over de tijd in de natuurkunde. Die spreker was prof.dr. HJ. Boersma, theoretisch natuurkundige aan de Vrije Universiteit. Hij zag er netjes uit, droeg een lichtblauw pak en in zijn grijze haar zat een mooie slag. Hij sprak beheerst en duidelijk en met een bamboe aanwijsstok wees hij belangrijke dingen aan die hij op het witte scherm achter zich had geprojecteerd. Dat deed hij zo kalm en gelijkmatig, dat wel duidelijk was dat
VU-MAGAZINE—JANUARI 1991
de spreker zich door de ingewikkeldheid van de materie zelf niet van zijn stuk liet brengen.
H
elaas is natuurkunde voor leken niet echt te begrijpen, hoe graag ze ook zouden willen. Neem de relativiteitstheorie, wie begrijpt die nou? Gelukkig stond Boersma daar ruimdenkend tegenover. Hij vertelde dat licht dat door een snel bewegende lichtbron wordt uitgestraald, niet sneller gaat dan licht dat uit een stilstaande lamp komt. Dat is een natuurkundig gegeven dat je niet kunt begrijpen, vond hij, en het is dan ook niet verwonderlijk dat de theorie die dit wil verklaren ook onbegrijpelijk is. Op grond van de relativiteitstheorie moeten we maar aannemen dat een bewegende trein korter is dan een stilstaande en dat een bewegende klok langzamer loopt dan één die op haar plaats blijft. Dat laatste heeft gevolgen voor de tijdmeting.
Sprekers het goed te laten functioneren is de Door relativiteitstheorie van belang. Een Johan de Koning klok aan de evenaar beweegt namelijk sneller - en loopt daardoor langzamer - door de draaiing van de aarde dan een klok aan een van de polen. Het gaat maar om een minieme fractie van een seconde, maar gezien de nauwkeurigheid van atoomklokken en toepassingen in bijvoorbeeld de radiotelescopie, moet er rekening mee worden gehouden.
O
Die tijdmeting was het eigenlijke onderwerp van de lezing. Want, merkte Boersma aan het begin van het college bescheiden op, over de tijd zelf weten natuurkundigen niets, daarvoor moet u bij de filosofen zijn. (Ook die weten er natuurlijk weinig van, maar ze doen er wellicht eerder uitspraken over.) Dus vertelde Boersma hoe verschillende instrumenten de tijdmeting steeds nauwkeuriger hadden gemaakt: het shngeruurwerk, de kwartsklok en de atoomklok. Hoelang een seconde duurt, blijft een kwestie van afspraak: 9192261770 trilhngen binnen de atoomklok. Zo'n klok kan in drie jaar hooguit één microseconde voor of achter lopen. Er bestaat een netwerk van dit soort klokken over de gehele aarbol. Om
ok de dia's die Boersma liet zien wekten duizeling. De zaal werd verduisterd en men kreeg fraaie plaatjes van melkwegstelsels voorgeschoteld. De structuur van het heelal, vertelde Boersma met het licht weer aan, is Prof.dr. H.J. te vergelijken met zeepsop. In het Boersma: beheerst. midden van de bellen zit niets, maar Foto AVC-VU aan de randen en vooral waar de bellen elkaar raken zitten de melkwegstelsels. Overigens worden die bellen steeds groter en dat bracht de spreker op de theorie van het uitdijend heelal en de oerknal, die het begin van de tijd inzette. Mogelijk dat het heelal als het tot een maximum is uitgedijd weer in zal krimpen. We spreken dan van de big crunch. Zal dan ook de tijd van richting veranderen? Kunnen kopjes die aan scherven zijn gevallen terugkeren tot hun oorspronkelijke staat en zal parfum terugvlieden in het flesje? Boersma had daar wel een antwoord op, maar hoe dat luidde laat zich niet zomaar navertellen. Nadat de spreker in vijftien minuten nog even acht vragen van bollebozen had beantwoord, verliet het publiek de zaal. Zichtbaar voldaan en zonder alles te hebben begrepen. D 47
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1991
VU-Magazine | 500 Pagina's