VU Magazine 1991 - pagina 394
ongewoon sterk ontwikkelde wil" (Karl Heussi). De gedachte die Calvijns theologische werk beheerst, is, schrijft men, die van de onbeperkte goddelijke vrijheid of, met andere woorden, die van de onmetelijke zelfverheerlijking van God. Op deze gedachte heeft Calvijn een theologisch systeem gebouwd dat meer gesloten is dan al het andere wat de hervorming zou opleveren. Met "onverbiddelijke consequentie" en "onverzoenlijke hardheid" werkt Calvijn zijn gedachten uit. De vroomheid die hij voorstaat is "eenzijdiger, starrer, harder" dan die van Luther. De noodzaak van "zedelijke tucht en harde dwang op het gebied van de rechte leer" is voor Calvijn vanzelfsprekend. Wie deze karakteriseringen leest, zal zich niet verbazen dat de naam van Calvijn en het calvinisme is komen te staan voor een hele reeks van ei-
Wie aan calvinisten denkt, denkt aan zwarte kousen en de ouderlingen uit de boeken van Maarten 't Hart. genschappen die met plezier in het leven weinig te maken hebben. 'Calvinistisch' is een ander woord geworden voor dogmatisch, rechtlijnig en bekrompen. Wie aan calvinisten denkt, denkt aan zwarte kousen en de ouderlingen uit de boeken van Maarten 't Hart. En wie zich Calvijn voor de geest haalt, ziet zijn bekendste portret: dunne lippen, ingevallen wangen, ogen zonder vreugde. Bouwsma, hoogleraar aan de gerenommeerde universiteit van Berkeley, neemt geen genoegen met dit beeld van Calvijn. "De Calvijn die de meesten van ons kennen is hoofdzakelijk een produkt van het latere calvinisme", schrijft hij, en eigenlijk kennen we Calvijn dus maar nauwelijks.
B
ouwsma wil, schrijft hij in zijn inleiding, "opnieuw het verband leggen tussen Calvijns teksten en de zestiende-eeuwse denker aan wie ze hun bestaan te danken hebben." Hij wil echter niet zonder meer een biografie schrijven. 32
Het is hem namelijk niet alleen om Calvijn zelf te doen, maar ook om de tijd waarin hij leefde. De zestiende eeuw is een crisistijd. De middeleeuwen zijn voorbij: de grootse orde die het denken over God, mens en wereld beheerste, is in verval geraakt. Het humanisme van mensen als Erasmus biedt nieuwe inzichten, maar een nieuw evenwicht hebben de intellectuelen van de zestiende eeuw nog niet gevonden.
C
alvijn is een man van zijn tijd. Wellicht meer dan enig ander worstelde hij met de erfenis van de middeleeuwen en de verworvenheden van de moderne tijd. Bouwsma schetst Calvijn dus niet zozeer als een theoloog, maar veel meer als een intellectueel die het levensgevoel van zijn tijd weerspiegelt. Dit levensgevoel karakteriseert Bouwsma met het woord 'angst'. Calvijn was een uitzonderlijk angstig man, en daarin is hij kenmerkend voor zijn tijd, want angst beheerste de zestiende eeuw. Calvijn ging hem te lijf door orde te scheppen in zijn denken, iets wat echter nooit goed lukte. "Calvijn zou graag alle hemelse en aardse zaken in zijn filosofie hebben ingepast", schrijft Bouwsma. Calvijns veelgeprezen heldere stijl heeft alles te maken met zijn behoefte aan orde. Ook het veelvuldig gebruik van tweedelingen was hem daarbij behulpzaam. Zwart en wit, licht en donker, wij en zij - het liefst bracht Calvijn de hele wereld onder in zulke overzichtelijke tegenstellingen. "Gelukkig", schrijft Bouwsma, "was hij te intelligent om zich er consequent aan te houden." Op dezelfde manier is te begrijpen waarom Calvijn alle vormen van 'vermenging' zo verafschuwde overspel bijvoorbeeld, of verwijfde mannen - en graag vasthield aan grenzen die de orde handhaven. Bouwsma zelf brengt orde aan in Calvijns angsten door ze te typeren met twee beelden, dat van het 'doolhof en dat van de 'afgrond', volgens Bouwsma "twee van Calvijns favoriete beelden voor het beschrijven van toestanden van extreem geestelijk onbehagen." De afgrond was het symbool van Calvijns afschuw van het grenzeloze. Het stond voor de ondoorgrondelijkheid van
de dingen, de chaos, de leegte, de nietigheid. Het kon in verband gebracht worden met de toekomst, met de uitdagingen van de nieuwe tijd die Calvijn onzeker maakten. Het doolhof riep bij Calvijn een andere angst op, een angst die met het verleden te maken had. Het stond voor benauwdheid en beklemming, en Calvijn dacht daarbij vooral aan de door pausen beheerste kerk die mensen dreigde te verstikken. Calvijns ontboezemingen over benauwenis doen trouwens bij Bouwsma het vermoeden rijzen dat Calvijn een aanleg voor claustrofobie had. Deze aanleg blijkt ook uit Calvijns uitleg van het verhaal van Noach. De grootste beproeving van Noach was volgens Calvijn dat hij tien maanden opgesloten was te midden van een groeiende hoop dierlijke uitwerpselen. Om de angst voor de afgrond te bedwingen maakte Calvijn gebruik van de traditionele filosofie die de middeleeuwen hem overgeleverd hadden. Hij klampte zich vast aan de orde die deze scholastieke filosofie hem bood, en in die zin was hij een conservatief. Tegelijkertijd kon hij met deze orde niet uit de voeten, wilde hij de angst voor het doolhof bedwingen. Daar had hij de nieuw verworven inzichten van het humanisme voor nodig. De stelling die Bouwsma verdedigt, is dat Calvijns denken "een dappere en vindingrijke, maar niet geheel succesvolle, levenslange poging is geweest om deze twee naar tevredenheid te combineren."
D
e opzet van Bouwsma's boek is even simpel als gewaagd. In het eerste deel wordt uiteengezet hoe de Calvijn van de middeleeuwen dacht, de Calvijn die bang was voor de afgrond; in deel twee gaat het over de Calvijn die het doolhof wilde verlaten, die van de moderne tijd. De twee Calvijns die Bouwsma onderscheidt, spreken elkaar dan ook vaak tegen. Zo hield Calvijn enerzijds vast aan de traditionele zekerheden van de kennistheorie van de middeleeuwen: Calvijn vertrouwde erop dat de menselijke geest in staat is dat wat bestaat - God, mens en wereld - te kennen zoals het werkelijk is. En omdat de mens de dingen kent zoals ze zijn, kan daarover in principe VU-MAGAZINE—OKTOBER 1991
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1991
VU-Magazine | 500 Pagina's