VU Magazine 1991 - pagina 79
ten op het merk Coca Cola wil hebben - en dat wil ze, het is zelfs een van de best beschermde merken ter wereld - dan wordt het woordje Coca Cola gedeponeerd. En het wordt ook nog eens gedeponeerd in de specifieke schrijfwijze. Maar is dat wat gedeponeerd is dan ook precies hetgene waaraan mensen het merk Coca Cola herkennen? Nee, de associatie kan ook op andere manieren ontstaan, bijvoorbeeld door de gebruikte kleur. Die kan zo specifiek zijn dat die eigenlijk het merk bepaalt. En als je maar een heel klein stukje van het merk ziet, slechts twee letters, denk je dan meteen aan Coca Cola of aan iets heel anders? De schrijfstijl van die C is zo bijzonder datje daar misschien het merk aan herkent. Niemand weet precies waar de grens ligt, wanneer de herkenning wel of niet optreedt.
u
vraagt of dit soort voorbeelden wel belangrijk is. U weet dat men rond 1900 van mening was dat de natuurkunde nagenoeg was afgerond. Er waren maar twee kleine verschijnseltjes die niet klopten. Dat bleken nu juist uitingen te zijn van verschijnselen die zouden leiden tot de relativiteitstheorie van Einstein en de quantummechanica van Bohr en de zijnen. Ik wil niet zeggen dat mijn vakgebied van even groot belang is als de natuurkunde, maar het lipje van een spijkerbroek is niet onbelangrijk. Want wat ik me afvraag is: als je afziet van de heel bekende woordmerken en je gaat kijken naar de trivialere tekens waaraan mensen een produkt herkennen, voldoet ons bestaande begrippenkader dan nog
Prof.mr. J.H. Spoor (1942) is sinds 1987 lioogleraar intellectuele eigendom aan de Vrije Universiteit. Daarvoor was hij aan dezelfde universiteit wetenschappelijk medewerker. Tevens is hij sinds 1982 werkzaam als advocaat en is hij actief binnen verschillende organisaties op het gebied van auteursrecht en computerrecht. Hij promoveerde in 1976 aan de Rijksuniversiteit Utrecht en publiceerde in 1985 samen met D.W.F. Verkade het handboek 'Auteursrecht'. In mei vorig jaar hield hij zijn oratie over 'De gestage groei van merk, werk en uitvinding'. Interview: Johan de Koning Foto Kees Keuch - AVC/VU
wel? Als je een prachtige theorie hebt, maar één onbetekenend fenomeen past er niet in, dan kan dat aanleiding zijn om die hele theorie nog eens kritisch te overdenken. De essentiële vraag is: wat is een merk? Kunnen we dat begrip afbakenen, of is het alles waaraan mensen een produkt kunnen herkennen? Wordt een spijkerbroek die in het rek hangt herkend aan het lipje dat aan de achterzak is genaaid? Zo ja, dan zullen we onze definitie van het begrip 'merk' zo moeten maken dat dat lipje er in past. En het gaat ook om de plaats waar het lipje zit. Twee belangrijke fabrikanten hebben na een jarenlang conflict de deal gesloten, dat één van hen alleen een lipje mocht aanbrengen als het op een andere plaats zat. Dat was ongetwijfeld gebaseerd op marktonderzoek: als het lipje op een bepaalde plaats zit herkent de jeugd de echte Levi's.
I
k probeer altijd onderscheid te maken tussen de vraag hoe de dingen in elkaar zitten en de normatieve vraag of dat ook wenselijk is. Als je te
snel overstapt naar de normatieve vraag, dan verduistert datje zicht op wat er aan de hand is. Als je zegt dat die grote fabrikanten het publiek uitbuiten, heb je misschien wel gelijk, maar dan kom je helemaal niet toe aan de analyse. Een sterke bescherming heeft maatschappelijk gezien veel voordelen. Octrooien voor uitvindingen zijn daarvan een goed voorbeeld. In de jaren zeventig heerste vooral aan universiteiten de opvatting dat octrooien een verwerpelijk kapitalistisch instrument waren. Als er een uitvinding gedaan wordt, zou die aan iedereen ten goede moeten komen. Er zouden daarom geen octrooien moeten bestaan die ervoor zorgen dat alleen een bedrijf er rijk van wordt, zeker niet als het gaat om geneesmiddelen. Daar was veel voor te zeggen, maar als je keek naar de Sovjetunie, dan zag je
In de jaren zeventig heerste vooral aan universiteiten de opvatting dat octrooien een verwerpelijk kapitalistisch instrument waren.' dat de geneesmiddelenindustrie daar op een veel lager pitje stond dan in het Westen. Als een bedrijf zijn investeringen niet kan terugverdienen doet het geen research. Zelfs als een universiteit iets uitvindt en daar geen octrooi op aanvraagt, dan blijkt toch dat niemand iets met die uitvinding doet, want er is meestal nog een heleboel geld nodig voordatje op
drijven juist aan de lopende band gaan deponeren. Dat is een uiting van een verschijnsel dat ik vaker meen waar te nemen: de overheid wil van alles regelen, we vragen daar ook om, maar de overheid blijkt dat helemaal niet te kunnen. De werkelijkheid is te gecompliceerd om Tl de ue gevolgen van een bepaalde wet te kunnen overzien. 25
VU-MAGAZINE—FEBRUARI 1991
-*-
basis van een uitvinding een produkt hebt datje op de markt kunt brengen. In de regel kost dat minstens tienmaal zoveel en dat moet worden terugverdiend. Een systeem van rechten voor intellectuele eigendom is daarom buitengewoon nuttig. Momenteel zie je echter een gigantische toename van het aantal depots. Er worden allerlei namen gedeponeerd die niet eens worden gebruikt en voor de zekerheid deponeert men zelfs de hele verpakking. Dus ieder ander bedrijf dat iets op de markt wil brengen, kan tegen zo'n depot aanlopen. Het gekke is dat dat voortkomt uit een wetgeving waarmee men wilde proberen het aantal merken in de hand te houden. Men dacht: we beschermen merken alleen nog als ze gedeponeerd zijn, dat is voor producenten zo omslachtig, dat men dat niet al te vaak zal doen. Watje vervolgens ziet, is dat be-
i^aüMüaifeMIf^Ma^^MlÉffii.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1991
VU-Magazine | 500 Pagina's