VU Magazine 1991 - pagina 155
van Descartes. Alleen voor wie denkt onbeperkt te kunnen abstraheren van tijd- en plaatsgebonden omstandigheden, is het mogelijk om zonder enige toelichting te spreken over wetenschappelijke vooruitgang en evolutie. Die abstrahering komt bij Kousbroek het sterkst tot uitdrukking in zijn zelfreflectie. Daarbij sluit hij iedere vorm van contextgebondenheid uit. Anders had hij een vraag kunnen stellen als: wat interesseerde mij in de jaren vijftig in het existentialisme van Heidegger en Sartre, had dat - de suggestie is niet geheel willekeurig - iets te maken met een verlangen naar vrijheid in een bedompt geestelijk klimaat? Wat voor antwoorden gaf het existentialisme op datgene wat mij toentertijd bezighield?
Rudy Kousbroek: jeugdzonden. Foto Wim Ruigrok
Niks geen discussie over de vrijheid van de mens of de beperkingen van de rationaliteit. anderzijds: Montaigne liet zich nu ook weer niet met de willekeurige draaiingen van de wind van het ene naar het andere standpunt blazen. Hij realiseert zich weliswaar de betrekkelijkheid van het eigen standpunt maar hij onderkent evenzeer de zwakheden bij de ander. Dat weerhoudt hem van al te nonchalante - 'relativistische', zoals we tegenwoordig zouden zeggen - lichtzinnigheid.
D
escartes was niet zo dol op dubbelzinnigheid en onzekerheid. Stephen Toulmin geeft aan dat diens scepticisme veel strenger en destructiever was dan dat van de zestiende-eeuwse literatoren. Alle vooropgezette meningen moesten wat Descartes betreft van vraagtekens worden voorzien, dogma's kon hij niet laten passeren zonder ze even kritisch op hun gefundeerdheid te betasten. Toch was voor Descartes de twijfel in wezen iets negatiefs, een donkere tunnel waar je doorheen moet. En de verlichting die je op het einde tegemoet straalt, is die der Zekerheid: de onbetwijfelbare, wetenschappelijk gesanctioneerde kennis. VU-MAGAZINE—APRIL 1991
Het onderscheid tussen deze twee vormen van rationalisme dat Toulmin gebruikt om de hele geschiedenis van de wetenschap te onderzoeken, is nuttig maar ook ietwat schematisch. Rudy Kousbroek is een goed voorbeeld van het dwars door elkaar heen lopen van die twee vormen van rationalisme in één persoon. De enige keer dat Kousbroek de naam van Descartes laat vallen is dat in negatieve zin, hij geeft te kennen niets te zien in Descartes' opvatting dat dieren slechts automaten zijn; mensen zouden daarentegen automaten plus een ziel zijn, de geest in de machine. Dit soort hiërarchisch denken is Kousbroek ten enenmale vreemd. Wat dat betreft is hij veel sterker verwant met Montaigne die een minstens zo grote dierenliefhebber was en een grote afkeer van iedere vorm van machtswellust aan de dag legde. "Ik schaam mij niet zo'n kinderlijk, tedere natuur te hebben dat ik het mijn hond niet kan weigeren met hem te spelen wanneer hij dat graag wil, ook al komt het mij slecht uit", schreef hij in de 'Essays'. Desondanks borduurt Kousbroek onmiskenbaar voort in de traditie
Niet zozeer de universele waarheid of onwaarheid van zijn denkbeelden had centraal kunnen staan, hij had de vraag naar de betekenis van zijn denkbeelden kunnen stellen. Op die manier zou het zelfonderzoek rijker en genuanceerder zijn geworden, en 13
Montaigne: kan niet kiezen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1991
VU-Magazine | 500 Pagina's