VU Magazine 1991 - pagina 237
planting van een stuk DNA een weinig voorspelbaar gevolg heeft. Daarnaast bleek een aantal gewassen, waaronder de commercieel interessante granen, weerbarstiger te zijn dan aanvankelijk verwacht. Een aantrekkelijke toepassing, het introduceren van stikstofbindend vermogen in granen, blijft hierdoor vooralsnog een van de schone dromen van de biotechnoloog. De gedachte was om de zeer nuttige eigenschap van de plantengroep vlinderbloemigen (waartoe onder meer de boon en de klaver behoren) - te weten: het vermogen om stikstof uit de lucht via omzetting door bacteriën in de wortelknolletjes als
meststof aan te wenden - in te brengen in granen. Door deze transformatie zouden de granen minder stikstofbemesting nodig hebben en dus goedkoper kunnen worden geteeld. De stikstof uit de lucht is in tegenstelling tot stikstof uit kunstmest immers (nog) steeds gratis. Betere vooruitzichten en enkele succesjes ('veldproeven') zijn er ten aanzien van het inbouwen van resistentie tegen ziekten, insektenvraat en onkruidbestrijdingsmiddelen in cultuurgewassen. Zo wordt er met name hard gewerkt om aardappelrassen te ontwikkelen die bestand zijn tegen aaltjes (de gevreesde aardappelziekte) en allerlei schimmels. De belangrijkste drijfveer hierbij is
netische manipulatie door eigen erfelijke eigenschappen (fragmenten DNA) in te brengen in het DNA van de gastheerplant. Biotechnologen maken van deze eigenschap gebruik door de bacterie in te schakelen als een soort transporteur, die de door hun uitgekozen erfelijke eigenschappen (stukjes DNA) inbrengt in een bepaalde plantesoort. Deze erfelijke eigenschappen kunnen afkomstig zijn uit een andere plant, die door het bezit ervan bijvoorbeeld bestand is tegen bepaalde insekten. Het isoleren van het juiste,deel DNA met gunstige eigenschappen is een - vaak tijdrovende - kunst op zich. Daarna moet het nog op de juiste manier worden ingebracht in de bacterie die voor het transport zal zorgen. Een veel gehanteerde methode hierbij is het inzetten van parasiterende virussoorten {bacteriofagen) die de bacteriën een koekje van eigen deeg presenteren door DNA binnen de bacterie-cel achter te laten. Aldus is een doorgeefsysteem gecreëerd waarmee eigenschappen van de ene plant, via virus en bacterie, kunnen worden ingebracht in een andere plant. Bacteriën en virussen die, zoals Agrobacterium, de eigenschap bezitten om erfelijke informatie in een ander organisme in te brengen worden door biotechnologen vectoren genoemd. Tot frustratie van vele onderzoekers is de vector Agrobacterium echter slechts bruikbaar voor een beperkt aantal plantensoorten, met name tweezaadlobbige planten zoals de tomaat, de aardappel en de tabaksplant. Toepassing bij eenzaadlobbige planten, waaronder de voor de wereldvoedselproduktie zo belangrijke gewassen als tarwe, maïs en rijst, blijkt niet zonder meer mogelijk. Voor deze planten worden dan ook andere technieken toegepast. Een ervan is het rechtstreeks injecteren van DNA in de celkern van een plantecel met behulp van zeer dunne glazen buisjes, de zogenaamde micro-injectie. Een nog vrij recentelijk ontwikkelde techniek gaat heel wat minder fijnzinnig te werk. Het DNA wordt met behulp van een soort geweer letterlijk in plantencellen geschoten. Bij deze - waar anders dan in Amerika ontwikkelde - techniek (de Biolistic Partiele Delivery Syster)t) wordt een hagel van microscopisch kleine, van DNA voorziene, wolfraambolletjes afgevuurd op het te transformeren celweefsel. De voor biotechnologen zo weerbarstige granen blijken voor dit grof geweld wel ontzag te hebben en enkele laboratoria zijn er op deze wijze in geslaagd maïs erfelijk te veranderen. D
VU-MAGAZINE—JUNI 1991
niet zo zeer het geld, maar het feit dat verscherpte milieunormen het gebruik van rassen met resistenties noodzakelijk maakt. Men hoopt daarbij in te spelen op het toenemend milieubewustzijn van de consument.
Door het optimisme kwam er ruimschoots geld beschikbaar voor investeringen. Desondanks Heten de transgene gewassen lang op zich wachten.
D
e stem van de consument zou in de nabije toekomst wel eens bepalend kunnen zijn voor een antwoord op de vraag of biotechnologie echt zal doorbreken. Het is natuurlijk prachtig dat onderzoekers steeds betere en miheuvriendelijker voedingsprodukten weten te ontwikkelen, maar de keel van de consument vormt uiteindelijk deflessehals.Sinds 1988 onderzoekt SWOKA, het Instituut voor Consumentenonderzoek in Den Haag, de meningen van consumenten ten aanzien van biotechnologie. Een enquête onder 1729 volwassen Nederlanders maakte meteen duidelijk wat een van de grootste problemen vormt; de kloof in kennis. Bijna de helft (43 procent) had nog nooit van biotechnologie gehoord, terwijl onder degenen die het woord wel kenden slecht een derde de juiste betekenis kon vinden bij een keuze tussen vier omschrijvingen. Over het algemeen waren de consumenten zich er nauwelijks van bewust of bepaalde dagelijkse produkten met behulp van biotechnologie worden gemaakt. Van de mensen die het woord biotechnologie zeiden te kennen, wist slechts de helft dat loodvrije benzine niet met behulp van biotechnologie wordt gemaakt. De deelnemers aan de enquête kregen ook de vraag voorgelegd of zij dachten dat een aantal biotechnologische ontwikkelingen al werkelijkheid was of niet. Slechts negentien procent had weet van het bestaan van de gaap of scheit, de gemanipuleerde kruising tussen een schaap en
7
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1991
VU-Magazine | 500 Pagina's