VU Magazine 1991 - pagina 266
De civitas academiae leidt geen kluizenaarsbestaan. In de universiteit weerspiegelen zich de ontwikkehngen die zich in de samenleving voordoen. Daar zijn, aldus de schrijvers van de inleiding tot de bundel, op dit moment twee tegenstrijdige tendensen aan het werk:
'Aan de ene kant is er de tendens van secularisering, aan de andere kant ook die van een toenemende behoefte aan zin, heellieid en godsdienst.' "Aan de ene kant is er de tendens van een voortgaande secularisering, de tendens ook dat mensen die zich christen willen noemen steeds duidelijker een minderheid gaan vormen; en dat lijkt ook het geval aan deze universiteit, niet alleen bij studenten, maar ook bij medewerkers. Aan de andere kant is er echter ook de tendens van een toenemende behoefte aan zin, aan heelheid en aan godsdienst." Zij vragen zich daarom met een tussen de regels beluisterbare zorg af, of de ontwikkelingen onvermijdelijk aansturen op een universiteit "waarbinnen geen besef meer levend gehouden wordt dat wetenschap ook van doen heeft met geloof, zingeving en levensbeschouwing". Om het nadenken daarover te prikkelen formuleerden zij de vraag of het bijzondere van de Vrije Universiteit moet worden afgeschaft, en legden zij
deze vervolgens voor aan een aantal medewerkers en studenten. Die meningen lopen sterk uiteen, zo blijkt, en worden soms met grote heftigheid geventileerd. Ze zijn echter zodanig in te delen, dat al snel enkele grondpatronen zichtbaar worden. Ruwweg zijn die te vangen onder de kopjes: onvrede met een VU die allang 'van God los' is, onvrede met een VU die nog steeds 'te christelijk' is, en tevreden met een VU die de juiste koers vaart.
A
fschaffen? Valt er dan nog iets bijzonders af te schaffen aan de Vrije Universiteit? Zo verwoordt een hoogleraar (de filosoof A.P. Bos) zijn ongenoegen over de insteUing die zijns inziens inmiddels "in haar functioneren zelf vrij van godsdienst" is geworden. Zijn boutade richt zich onder meer op de concretisering van het bijzondere, die naar zijn mening fungeert als de oogstcijfers in Roemenië onder Ceausescu: "als fagade-bouw" dus. Doelwit van Bos' aanval vormt met name prof.dr. H.M. Kuitert die eind jaren zestig het 'methodisch atheïsme', dat elders al veel eerder algemeen ingang had gevonden, introduceerde in de theologiebeoefening aan de Vrije Universiteit; een onderzoekstechnische ingreep die het geloof zolang tussen haakjes zet, maar de zin ervan niet aantast. Die laatste nuancering wenst de ontevreden professor echter niet in zijn overwegingen te betrekken. Voor hem zijn het methodisch atheïsme en het positivisme, dat in zijn extreem ideologische vorm wèl het bestaan van een kenbare werkelijkheid buiten die van de strikt wetenschappelijke ontkent, één pot nat. Genuanceerder, maar in wezen tot dezelfde categorie behorend, is de kritiek van theoloog en VUSA-stafmedewerker Jan Weenink. In een sarcastisch getoonzette bijdrage hekelt hij de overgevoeligheid voor het kennelijk aanstootgevende woord 'christelijk'. Inderdaad, "een vervelend predikaat" en nog verwarrend ook, omdat niemand meer weet wat het precies inhoudt. "Wel wordt er af en toe een 'zucht van Verlichting' vernomen. Ja, als dat zou kunnen, als dat 'christelijk' genoemd mag worden, dan graag. Maar het is of de duvel ermee speelt", aldus Wee-
36
nink, "alles wat leuk is, heet niet 'christelijk'." Uitgesproken negatief oordeelt Weenink over de neiging om geloof en wetenschap op anti-thetische wijze tegen elkaar uit te spelen: "Met de opmerking 'geloven doe je in de kerk, hier gaat het om wetenschap!' kan iedere discussie over vooronderstellingen de deur worden gewezen." De slotzin van zijn bijdrage is een intrigerend doordenkertje: "Het zou kunnen dat men voor geloof ruimte maakt door 'het' geloof op te heffen." olwaardige universiteit of een klein en sektarisch genootschap; dat dilemma speelt in
V
de meeste bijdragen op de achtergrond mee. Voor J.A. Montsma (alweer een theoloog) is de keuze onontkoombaar. "De redenering is simpel en dwingend", meent hij: "wil de VU een christelijke universiteit zijn, dan moet ze er allereerst voor zorgen dat ze een universiteit is; daarvoor moet zij in toenemende mate een beroep doen op mensen die de christelijke levensovertuiging niet zijn toegedaan. Deze situatie", aldus Montsma, "zal voorlopig de weg van de VU bepalen. Ik bedoel VU-MAGAZINE—JUNI 1991
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1991
VU-Magazine | 500 Pagina's