VU Magazine 1991 - pagina 158
Voor velen vormt de wetenschap nog altijd een rots van waarheid en betrouwbaarheid in een oceaan vol leugens en bedrog. Mede om die reden laten actualiteitenprogramma's graag wetenschappers commentaar geven op allerlei nieuwsfeiten. Sinds de 'affaire-Buck', de geruchtmakende zaak rond de Eindhovense hoogleraar die meende een Aids-remmer te hebben ontdekt, is men er echter weer eens van doordrongen dat wetenschappers ook maar mensen zijn, die bovendien de plank soms behoorlijk mis kunnen slaan. Vermaarde wetenschappers blijken flink in de fout te kunnen gaan als zij hun vooringenomen denkbeelden door 'vondsten' ondersteund menen te zien. Daarnaast vertonen wetenschappers niet zelden zeer menselijke trekjes; persoonlijke ambities, ordinaire geldzucht en chauvinisme. In het ergste geval worden wetenschappelijke feiten verzonnen en is er sprake van regelrechte fraude. In de iets minder ernstige vorm maken zij zich schuldig aan het 'bijschaven' van resultaten of aan zelfbedrog.
Een wetenschappelijke fraude die veel van bovengenoemde elementen in zich verenigt is de zogenaamde Piltdown-fraude. Een zaak die in de wereld van paleo-antropologen (onderzoekers van fossiele mensachtigen) de nodige opschudding veroorzaakte en die, in de eerste helft van deze eeuw, de ideeën over de evolutie van de mens behoorlijk heeft dwarsgezeten. Toen eenmaal overtuigend was vastgesteld dat er fraude
B
Dawson (met bretels) en Smith Woodward bezig met het zeven van grint, afkomstig uit de Piltdowngroeve, op zoek naar resten van de 'eerste Engelsman'.
eroemd is het experiment dat een Amerikaanse psycholoog liet uitvoeren door zijn studenten. Hij gaf ze twee groepen ratten voor een doolhofexperiment, en vertelde de studenten dat de ene groep bestond uit speciaal voor dit doel gefokte 'doolhof-slimme' ratten, terwijl de andere was samengesteld uit 'doolhofdomme' ratten. De studenten vroeg hij de ratten te testen op hun vermogen snel de juiste weg door het doolhof te vinden. De studenten ontdekten dat de doolhof-slimme ratten het inderdaad stukken beter deden dan hun domme soortgenoten. De verbazing onder de studenten was dan ook groot toen ze na afloop te horen kregen dat er in werkelijkheid geen enkel verschil was tussen de twee groepen ratten. De verwachtingen van de studenten hadden zich vertaald in onjuiste meetresultaten. Uit dit voorbeeld, waarin duidelijk sprake is van voorbedachte rade, zou men geneigd zijn te concluderen dat het met fraude en bedrog in de dagelijkse praktijk van de wetenschapsbeoefening zo'n vaart niet loopt. Er zijn inderdaad niet zoveel gevallen van aantoonbare fraude uit de geschiedenis van de wetenschap bekend. Maar uit de gevallen die wel aan het licht komen, treedt bijna altijd de sterke neiging binnen de wetenschap tot verzwijgen naar voren. De fraude valt vaak moeilijk te bewijzen, en naar buiten toe bestaat grote terughoudendheid om het eigen nest te bevuilen. Bijkomende factor is het feit dat er bij dit soort gevallen nogal eens wetenschappers van naam betrokken zijn. In de annalen over 'onderzoek met een luchtje', vindt men de namen Galileo Galilei, Isaac Newton, John Dalton, Gregor Mendel en Cyril Burt] zij zijn respectievelijk de grondleggers van de astronomie, de fysica, de atoomtheorie, de erfelijkheidsleer en de intelligentiemetingen.
16
in het spel was, wierpen talrijke onderzoekers zich op de vraag wie de vervalsing gepleegd had(den). Hoewel nooit overtuigend is aangetoond wie de daders waren, biedt deze zaak helder zicht op de wijze waarop verkeerde interpretaties tot stand komen en zo de theorievorming volledig op het verkeerde been kunnen zetten.
H
et begon allemaal in 1912, toen Charles Dawson, een advocaat en gewaardeerd amateur-archeoloog uit het Engelse Sussex, zich met enkele schedelfragmenten liet aandienen bij de conservator van het prestigieuze British Museum, Arthur Smith Woodward. Smith Woodward, die een naam had opgebouwd als expert op het gebied van fossiele vissen en reptielen, was verrukt. Hij herkende in de verweerde en donker gekleurde botfragmenten een menselijke herkomst. Dawson beweerde dat een van de fragmenten reeds in 1908 ontdekt was door arbeiders in een grintwinning nabij Piltdown. De andere fragmenten had hij sindsdien gevonden bij het doorzoeken van uitgegraven grinthopen. De kleur van en de slijtage aan de botfragmenten leken er op te duiden, dat ze inderdaad tot de betreffende grintafzetting behoorden, en niet door een latere teraardebestelling erin terecht waren gekomen. Smith Woodward onderkende het mogelijk belang van de vondst en trok er samen met Dawson op uit, in de hoop in de grinthopen van Piltdown meer bewijsmateriaal aan te treffen. VU-MAGAZINE—APRIL 1991
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1991
VU-Magazine | 500 Pagina's