Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

VU Magazine 1991 - pagina 160

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VU Magazine 1991 - pagina 160

2 minuten leestijd

Critici, die beweerden dat het onmogelijk was met zo weinig fragmenten een schedelvorm precies te reconstrueren, daagden Keith uit met even weinig fragmenten een recente schedel te herbouwen. In twee dagen tijd wist de anatoom een speciaal voor dat doel stukgeslagen Egyptische schedel (op slechts 20 kubieke centimeter na) nauwkeurig te herbouwen.

H

et succes van Keith werd enigszins teniet gedaan doordat zijn voorspelling niet uitkwam. Die hield in dat, als er ooit een hoektand zou worden gevonden, deze voornamelijk menselijke kenmerken zou hebben. In de zomer van 1917 was het Teilhard de Chardin die, in aanwezigheid van Dawson en Smith Woodward, in een hoop Piltdown-grint een piepkleine, maar o zo mensaapachtige hoektand naar boven toverde. Een hoektand, mensaapachtig van vorm, maar met een typisch menselijk slijtage-patroon. De laatste ongelovigen werd de mond gesnoerd toen Dawson in 1915, een jaar voor hij overleed, de ontdekking bekend maakte van twee schedel-

fragmenten en een mensaapachtige kies op ongeveer drie kilometer van de oorspronkelijke vindplaats. Men moest nu een beroep doen op toch wel erg veel toeval om nog vol te willen houden dat de combinatie van mens- en mensaapachtige kenmerken n/ef aan een Piltdown-mens viel toe te schrijven. Daar kwam nog bij dat het driemanschap van de Engelse antropologie en paleontologie - Smith Woodward, Keith en Grafton Elliot Smitfi (een beroemd anatoom) - zich opwierpen als fiere verdedigers van de Piltdown-mens als de 'eerste Engelsman'. Zij wisten zich daarbij gesteund door de Britse publieke opinie. De Piltdown-mens

De Zondvloed-mens Niet alleen Britse antropologen hebben zich laten leiden door chauvinisme bij hun speurtocht naar vroege voorvaderen van de mens. Terwijl Engeland in euforie verkeerde over de Piltdown-mens werd in 1926 in Noord-Amerika een kies gevonden die volgens de vooraanstaande Amerikaanse paleontoloog Henry Fairfield Osborn, afkomstig was van een mensaapachtige primaat. Het arme wezen kreeg de naam Hesperopitliecus ('Westerse mensaap') iiaroldcool<ii (naar de vinder Haroid CooK), maar zijn status was geen lang leven beschoren. Het jaar erop werd namelijk een kaak gevonden met dezelfde kiezen, Die kaak moest worden toegeschreven aan een varkensachtig dier. En daarmee viel een Amerikaanse droom in duigen. De Britse sir Graiton Eliiot Smitli constateerde schamper dat zijn Amerikaanse collega's "goed gebeten waren door deze tand", maar gezien zijn bemoeienis met de Piltdown-mens had hij beter zijn mond kunnen houden. Een vergelijkbare miskleun had zich tweehonderd jaar eerder voorgedaan in Zwitserland. Leidraad hierbij was niet zozeer chauvinisme, als wel de wens menselijke fossielen te vinden als bewijs voor de bijbelse waarheid. De Zwitserse arts en natuuronderzoeker Johann Jacob Scheuchzer zag in een fossiel skelet, dat werklieden van een kalksteengroeve hem gezonden hadden, een bewijs voor de Zondvloed als historisch feit. Het skelet was volgens hem afkomstig

Dit skelet werd door een Zwitserse anatoom beschouwd als het bewijs dat de Zondvloed, waarvan in de Bijbel sprake is, een historisch feit was geweest. De overblijfselen bleken echter afkomstig van een reuzesalamander.

18

van een zondaar die tijdens dit Godsoordeel was verdronken. Hij noemde hem daarom Ho/no diluvii testis ('mens die getuigt van de zondvloed'). De anatomische kennis van Scheuchzer moet echter niet al te hoog worden aangeslagen. De beroemde Franse anatoom George Cuvier toonde in 1811 aan dat het hier geen skelet van een Zondvloed-mens betrof, maar van een fossiele reuzensalamander. Het fossiel vorm nu een van de pronkstukken van het Teylers Museum te Haarlem, en draagt nu, als doekje voor het bloeden, de wetenschappelijke naam Andrias scfieuchzeri. D

VU-MAGAZINE—APRIL 1991

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1991

VU-Magazine | 500 Pagina's

VU Magazine 1991 - pagina 160

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1991

VU-Magazine | 500 Pagina's