VU Magazine 1991 - pagina 153
Tussen Descartes en Montaigne KOOS NEUVEL
Illustratie Aad Meijer
Onuitstaanbaar autoritair is hij soms. Rudy Kousbroek, schrijver, essayist, NRC-reda,cteur, verkondigt weliswaar de tolerantie een warm hart toe te dragen; de toon waarop hij dit zegt verraadt het omgekeerde. Onophoudelijk foetert hij in 'Einsteins Poppenhuis', zijn gebundelde essays over wetenschap, op degenen die het allemaal nog niet begrepen hebben. Vooral de alfa's moeten het ontgelden, zij vormen een beklagenswaardig menstype. Het zijn 'hulpeloze sukkels', die niet eens in
Alfa's zijn niet alleen dom maar ook slecht, vindt Rudy Kousbroek. Die knorrigheid is het gevolg van zijn denkbeelden over wetenschap, die in een lange traditie staan. staat zijn batterijtjes in een cassetterecorder te vervangen.
H
et alfa-denken baseert zich niet op verstandelijke, systematische analyse van de natuur maar op een passief ontzag voor het zogenaamd bovennatuurlijke. Het is de hocuspocus van de reUgie en de mystiek, aan de natuur wordt een onpeilbare geheimzinnigheid toegeschreven. Verstandige mensen geloven echter niet meer in wonderen.
Alfa's zijn niet alleen dom maar ook slecht. Zij koesteren een ideaalbeeld van de wereld en alles wat daaraan afbreuk doet - het kwaad in zijn ontelbare verschijningsvormen ~ moet met wortel en tak worden uitgeroeid. Kom met zulke ideeën maar eens aan bij de bèta's: zie hoe gematigd en rationeel zij zijn, hoe iedere zendingsdrift hen ontbreekt. Zij worden niet gehandicapt door geloof en gaan met een sprankelend gevoel voor humor door het leven. Dit curieuze wereldbeeld verdedigt
Kousbroek op bijna iedere pagina van zijn boek met een ongekende gedrevenheid. "Zoveel hardnekkige en grimmige wereldvreemdheid bij een voor het overige toch milde en verstandige man, hoe is die te verklaren", vroeg Cyrille Offermans zich af in Vrij Nederland. Omdat hij op die vraag niet een echt antwoord gaf, waag ik zelf een poging: Kousbroeks grimmigheid is meer dan een onwillekeurig bij ieder mens wel eens opzwellende woede die even gelucht moet worden; zijn autoritaire houding is het directe gevolg van zijn denkbeelden over wetenschap. Met de doktersjas aan zou ik willen zeggen dat de woede een symptoom is van een 'objectief verschijnsel. Of dit verschijnsel ook als pathologisch omschreven moet worden, wil ik in het midden laten. Laat ik concreter worden. Ergens in zijn boek schrijft Kousbroek: "De incompatibiliteit van wetenschap en godsdienst is al lang geleden in het voordeel van de wetenschap beshst". Dat is een eigenaardige uitspraak waarin een specifieke manier (meest-
al als 'logisch-positivistisch' of 'kritisch-rationalistisch' aangeduid) van denken over wetenschap tot uitdrukking komt. Het eigenaardige van de geciteerde uitspraak is niet dat Kousbroek zich aan een discussie over godsdienst en wetenschap wil onttrekken. Er zijn diverse goede en minder goede redenen om je daar verre van te willen houden. Het opvallende is dat Kousbroek zegt: het probleem is beslist. Hij reduceert in wezen de verhouding tussen wetenschap en religie tot een feitelijke kwestie. Zoals bekend kan over meningen eindeloos - oeverloos, zoals sommige mensen zeggen - gediscussieerd worden zonder dat gebrek aan overeenstemming als een ernstig gebrek ervaren hoeft te worden. Bij feiten ligt het iets eenvoudiger: het gaat er simpelweg om vast te stellen of ze kloppen met de werkelijkheid. Een dergelijke reductie van meningen of filosofische posities tot feitelijke kwesties kan karakteristiek genoemd worden voor een vorm van denken over wetenschap waarin slechts opgeloste en nog op te lossen problemen onderscheiden worden, waarin uitspraken slechts interessant zijn voor zover ze zijn om te zetten in toetsbare hypothesen; ambivalenties en onuitputtelijke problemen horen thuis in het rijk der metafysica - hever gezegd: het rijk der onzin.
D
e bijdrage aan de meningenstrijd over wetenschap en geloof van Kousbroek luidt als volgt: een verschil van mening is onmogelijk, discussie is overbodig, het gaat slechts om een al dan niet te erkennen gelijk. Wie nu nog de status van de wetenschap in twijfel wil trekken is een domkop, negeert de vooruitgang in de wetenschap, realiseert zich niet dat we inmiddels alweer veel verder zijn. Waarom nog terugkomen op achterhaalde vraagstellingen? En juist daarom wordt hij zo razend wanneer een godvergeten onverlaat het waagt een al lang opgelost vraagstuk op te rakelen. Tegenwoordig is het, anders dan in de vorige eeuw en grote delen van deze eeuw, bon ton geworden om, wanneer de wetenschappelijke vooruitgang ter sprake komt, een zekere behoedzaamheid aan de dag te leggen. Als het begrip al niet helemaal VU-MAGAZINE~APRIL 1991
VU-MAGAZINE—APRIL 1991
verworpen wordt, is het op zijn minst gebruikelijk om naast de successen ook op de keerzijden te wijzen, om behalve het enerzijds het anderzijds te noemen, om het positieve tegen het negatieve af te wegen. Zo niet Kousbroek. Hij acht het niet nodig ook maar de kleinste specificatie te geven: vooruitgang voor wie, op welke manier, in wat voor situatie? De vooruitgang van Kousbroek is een tikkeltje autistisch, in zichzelf gekeerd; de wetenschap murmelt en de buitenwereld moet maar begrijpen dat het om klare taal gaat. Nu is Kousbroek niet helemaal naief De ontwikkeling van de weten-
'Bèta's worden niet gehandicapt door geloof en gaan met een sprankelenc gevoel voor humor door iet leven.' schap is ~ weet hij als goed lezer van Popper - niet die van een diesel die eenmaal op gang gebracht, onverstoorbaar voorwaarts trekt. Het is meer een kwestie van trial and error, van vallen en opstaan, het een stap terugzetten om er vervolgens weer twee verder te komen. Elke zekerheid heeft slechts een voorlopig karakter, de dwaling treedt beleefd terug voor het inzicht. Tot zolang als dat duurt. Elk algemeen erkend inzicht loopt te allen tijde ook weer het risico ontmaskerd te worden en ontdaan van iedere schone schijn op de vuilnisbelt der misvattingen te belanden.
O
ok bij Kousbroek persoonlijk vindt zo'n evolutie van dwaling naar inzicht plaats. Hij schrijft - en ik heb de indruk dat hij dit niet ironisch bedoelt - dat vroeger (in de zeventiende eeuw bijvoorbeeld) er nog niet zoveel verstandige mensen waren en dat er minder goed werd nagedacht dan tegenwoordig. Wat voor de mensheid in zijn algemeenheid geldt weerspiegelt zich klaarblijkelijk op micro-niveau in de individuele levensloop. Kousbroek is zelf in ieder 11
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1991
VU-Magazine | 500 Pagina's