VU Magazine 1991 - pagina 87
karakter. Het vooruitzicht van een categorie Nederlandse zigeuners, dat wil zeggen zigeuners die men niet meer kan uitwijzen, is de autoriteiten een gruwel. Het stigma wordt vanaf 1928 veel sterker. Golden zigeuners eerst als ongewenste vreemdelingen omdat ze arm zouden zijn en zouden bedelen, vanaf 1928 ziet men hen vooral als (potentiële) criminelen. De marechaussee heeft binnen bepaalde grenzen vrij spel. Van der Minne verzamelt persoonsgegevens en zijn initiatieven leiden uiteindelijk tot de registratie van alle Nederlandse zigeuners. Na een korte, nauwgezette beschrijving van de lang verwaarloosde geschiedenis van Nederlandse zigeuners in de Tweede Wereldoorlog, concludeert Lucassen dat de toenemende stigmatisering in Nederland is af te leiden uit het beleid dat vanaf 1928 werd gevoerd door het ministerie van Justitie, inclusief de procureurs-generaal en de marechaussee. Vooroordeelbevestigende aspecten van het gedrag van zigeuners wogen steeds veel zwaarder dan atypische berichten over bijvoorbeeld hun vakbekwaamheid. De grote so-
ciale afstand van de rijksoverheid tot de zigeuners versterkte dit mechanisme. Een geheel afdoende verklaring voor het zigeunerstigma biedt dit echter niet. Daarom wijst Lucassen ook op de zeer diepe wortels in de Nederlandse geschiedenis.
eindelijk de enige buffer tegen etikettering. Andere kenmerken, zoals uiterlijk en gedrag, vervulden volgens Lucassen slechts een attenderende functie. Het werd hoog tijd dat de bestaande beeldvorming over zigeuners eens in
A
'Isoleert men hen, dan stikt het vuur onder zijn asch.'
ls antwoord op de vraag wie er door de tijd heen als zigeuners werden beschouwd en wat de doorslaggevende factoren waren, concludeert Lucassen dat de grondslag voor de etikettering uit een combinatie van kenmerken bestond: openlijk nomadisch gedrag, dat tot uiting komt in de woonvorm en het trekken met gezin. De eerste groep die na 1868 aan deze voorwaarde voldeed waren de Kaldarasch en in mindere mate de Ursari. In de negentiende eeuw was de herkomst uit Hongarije of de Balkan mede bepalend. Groepen als de Sinti en andere Duitse en Belgische woonwagenbewoners, werden pas als zigeuners beschouwd toen men niet langer de herkomst uit de Balkan als criterium hanteerde maar een algemene niet-Nederlandse herkomst. Voor nomadisch levenden bleef de Nederlandse herkomst uit-
I E P E T I T JOURNAL
een uitstekend boek als dit onder vuur werd genomen. Lucassen toont overtuigend aan dat de overheid een belangrijke rol heeft gespeeld bij de totstandkoming van deze sterk tot de verbeelding sprekende minderheidsgroep. Tot op de dag van vandaag bestaat deze minderheid uit verschillende groepen die zich nauwelijks of zelfs helemaal niet met elkaar verbonden voelen. Desalniettemin ziet de buitenwereld hen als een groep die men allerlei gemeenschappelijke kenmerken toedicht. Toch schiet Lucassen naar mijn smaak iets te ver door. Als kenmerken voor etikettering als zigeuner noemt hij uiteindelijk alleen maar openlijk nomadisch gedrag en een niet-Nederlandse herkomst. Uiterlijk en gedrag vervullen geen noodzakelijke functie. Dat impliceert dat een hoogblonde Duitse of Ierse woonwagenbewoner die zich hier in het begin van de eeuw zou hebben aangemeld volgens deze definitie als zigeuner zou zijn beschouwd. Ik betwijfel of de gemiddelde Nederlandse marechaussee dat gedaan zou hebben. Verder veegt Lucassen de in een aantal opzichten gemeenschappelijke taal die zigeuners spreken, het Romanes, iets te gemakkelijk onder het tapijt. Als je, zoals ik, ooit hebt meegemaakt dat een uit Joegoslavië afkomstige Rom, zij het met wat extra gebaren, Romanes kan praten met een Nederlandse Sinto, dan lijkt de stigmatiseringstheorie niet alles te verklaren, al is het wel veel.D Leo Lucassen, 'En men noemde hen zigeuners.... De geschiedenis van Kaldarasch, Ursari, Lowara en Sinti in Nederland (1750 1944)', Stichting beheer IISG/SDU uitgeverij, 149,90. Hein Cuppen is historicus en eindredacteur van 'o DROM' (de Weg), tijdschrift over zigeuners van de Vereniging Lau Mazirel.
VU-MAGAZINE—FEBRUARI 1991
33
In 1782 werd een groep Hongaarse zigeuners van kannibalisme beschuldigd. Nadat ze waren gefolterd en terechtgesteld werden de vermeende slachtoffers in goede gezondheid teruggevonden. Een Frans Tijdschrift maakte er in 1925 een mooi sensatieverhaal van.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1991
VU-Magazine | 500 Pagina's