VU Magazine 1992 - pagina 271
z o diging van dementie. Op die manier is het verband tussen bloeddruk en dementie, via het tussenstation van de verbleking gelegd. Alleen door hoge bloeddruk vroegtijdig te ontdekken en moderne bloeddrukverlagende medicijnen voor te schrijven, stelt Van Swieten, kunnen artsen de kans op dementie verkleinen, (KN)
c
H
T
Te weinig middelbare scholieren kiezen een bètavak als universitaire studie! Die alarmkreet wordt te-
genwoordig te pas en te onpas geslaakt. Op die manier zou ons land het gevaar lopen niet meer mee te kunnen en technologisch achterop raken. Hoe zou het toch komen, dat zo betrekkelijk weinig scholieren natuurkunde willen studeren? Aan de inspanningen van de leraren kan het nauwelijks liggen. Die hebben in de jaren '70 en '80 geprobeerd het vak zo aantrekkelijk mogelijk te maken voor hun leerlingen; maatschappelijke vraagstukken als verkeersveiligheid en energiebesparing kregen een plaats in het lesprogramma. Het onderwijs moest aansluiten op de dagelijkse leefwe-
reld van de scholieren. Dot zoeken naar aansluiting bij de praktijk heeft echter zijn keerzijde. Dot blijkt uit een onderzoek van de Utrechtse Vakgroep didactiek van de natuurkunde. De dagelijkse betekenis die leerlingen aan het begrip 'energie' toekennen, verschilt van de betekenis die in de universitaire natuurkunde gangbaar is. Leerlingen associëren energie met activiteit en beweging. Ze denken dot energie verloren kan gaan, maar de natuurkunde zegt daarentegen dat energie altijd behouden blijft. Een boormachine 'verbruikt' geen energie, maar zet elektrische energie om in
andere vormen: onder andere arbeid en warmte. Dat is voor leerlingen vaak moeilijk vatbaar. Die kloof tussen het wetenschappelijke begrip en het 'straatbegrip' van energie lijkt moeilijk overbrugbaar. Er kan geprobeerd worden dit wetenschappelijke begrip meer ingang te doen vinden in het middelbaar onderwijs. Moor dot goot weer ten koste van de dagelijkse ervaring van kinderen. En of die venvvetenschappelijking de gang naar de notuurkunde-faculteiten zal vergroten, is maar zeer de vraag, (KN)
dat het vrouwtje eens per maand haar eitje 'legt'. De kalkachtige eierschaal - zo ingenieus gekromd van vorm dat wiskundigen zich nog altijd het hoofd breken over de exacte formule ervan - die ons bij het noemen van het woord direct voor ogen zweeft, is echter voorbehouden aan vogels. Het waarom van deze exclusiviteit wordt in dit vermakelij^ke boekje ook uitgelegd: hoe zou een wijfjesvogel ooit in staat zijn het luchtruim te kiezen met een buik vol nageslacht dat volledig in de Doarmöeder moet worden uitgebroed? Afgerekend wordt met het sprookje dat het eten van eieren buitensporig cholesterol-verhogend en dus uiterst ongezond is, evenals met het modieuze gekakel dat de linolzuur-rijkere vier-granenvariant de lichamelijke gesteldheid ten goede zou komen. Een ei potentieverhogend? Wat laten we ons toch veel aanpraten! Ook de legende over Columbus die, door het met kracht op tafel planten van een ei, zijn
adagium - 'alles is simpel, maar je moet er maar opkomen' - onderstreepte, moet het hier ontgelden. In de paragraaf 'Het ei in de taal' legt Marlies Philippa het verschil uit tussen de lange en de korte variant van deze tweeklank, en speurt zij langs etymologische weg naar de herkomst van ait onderscheid dat in de volksmond soms verwatert ('wijds' in plaats van 'weids'). Onlogisch in dit leerzame hoofdstukje is alleen de titel; niet het, maar c/e ei, c.q. ij staat hier immers centraal. Maar Philippa's uitleg van de naamgeving van hef IJ, en van de verwantschap daarvan met namen van andere waterstromen en plassen, zoals Ee, Aa en Die, maken die inconsequentie meer dan goed. Kernvraag is natuurlijk of de kip-en-ei-kwestie in dit boekje diepgaand aan de orde komt. V/elzeker. Maar de twee antwoorden die erop gegeven worden staan lijnrecnt tegenover elkaar. Philippa laat zien dat het
woord ei waarmee het legsel van pluimvee doorgaans wordt aangeduid, taalkundig bezien een geheel andere herkomst heeft dan de ei in bijvoorbeeld eiland, die naar water verwijst. Het (vogel)ei is afgeleid van het Germaanse ajj, dat weer samenhangt met het Latijnse ovum: produkt van de avis (vogel). Avis betekent niet: dier dat eieren legt; het eerste is dus afgeleid van het tweede. Ergo: de vogel (de kip) was er eerder dan het ei. Bioloog Van Maanen concludeert aan de hand van de evolutie van het ei echter, dat nog vóór de eerste kip haar ei legde, verschillende andere diersoorten, waaronder bijvoorbeeld ook de dinosauriërs, haar dit hadden voorgedaan. Zijn conclusie: het ei is de kip vele honderd miljoenen jaren voorgegaan. Voor beide redeneringen geldt: geen speld tussen te krijgen. Overigens is het raadzaam die speld bij het aanprikken van te koken eieren in de brede onderkant (en dus niet in de spitse bovenkant) te prik-
ken, omdat alleen van onderen het luchtkamertje zit dat, onder druk gezet tijdens het kookproces, het ei kan doen barsten! (GJP)
[ Energie
Gert van Maanen (red.). Het boek van het ei, LJ. Veen, f 19,90.
Op de plank Robert M. Hazen en James Trefil, Wegwijs in de wetenschap; de wortels van de wereld om ons heen, Anthos, f 39,50 Johan Polak, Het oude heden. Balans, f 39,50 Jeffrey Wijnberg, Waarom zijn vrouwen zo gemeen? Conflict en uitdaging, Aramith, f 1 9,90 Iman Wilkens, Waar eens Troje lag; het geheim van Homerus' Ilias en Odyssee onthuld. Bigot & Van Rossum, f 44,90 Cor van Dijkum en Dorien de Tombe (red.). Gamma Chaos; Onzekerheid en orde in de menswetenschappen, Aramith, f 34,90. VU MAGAZINE JUL/AUG 1992
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1992
VU-Magazine | 484 Pagina's