VU Magazine 1992 - pagina 99
"Struiken, wilgestruiken vooral, gaan het beeld bepalen. Je krijgt meer struweel, j e ziet wat hoger wordende vegetaties. Je krijgt ook al wat hardere houtsoorten: eiken en essen."
Mascoffe
DRS. W.B. HARMS: "MEN ZAL STEEDS OPNIEUW VRAGEN: WELKE KANT GAAT HET OP?"
sen' worden aangelegd in weidegebieden, om een goede ecologische infrastructuur te bouwen. Grote natuurgebieden ontbreken, maar er zijn in elk geval verbindingsroutes. D e otter - reeds uitgestorven in Nederland - zou zich er wel bij voelen. De verschillende scenario's gaan uit van verschillende visies over wat we met de schaarse natuur in Nederland aan moeten. In het onderzoek is echter ook een poging gedaan te becijferen welke gevolgen die verschillende zienswijzen zullen hebben. Harms en zijn collega's hebben een computermodel ontworpen waarmee de toekomstige natuurontwikkeHng in de computer nagebootst wordt. Is het doel grote, aaneengesloten gebieden, zoals in Eland? Dan kan het model, met wat er bekend is over de eigenschappen van planten, uitrekenen hoe de vegetatie er over tien, dertig of zelfs honderd jaar uit zal zien. En aangezien de fauna voor een belangrijk deel afhankelijk is van de vegetatie, valt ook te berekenen hoe het de rosse woelmuis, het baardmannetje en de aardbeivlinder zal vergaan, zo is de veronderstelling. De onderzoeker koppelt gegevens vanachter zijn PC-tje en doet zo voorspellingen over de toekomst van de natuur. Daarvoor hoeft hij het veld niet meer in.
Surrogaat Is het bouwen van dit soort computermodellen als surrogaat voor de werkelijkheid al jaar en dag gemeengoed, betrekkelijk nieuw is het verwerken van de gegevens in een geografisch informatiesysteem. Z o ' n infor-
matiesysteem is te beschouwen als een atlas in de computer, met op elke kaart een grote hoeveelheid gegevens. (Zoals de Bosatlas niet alleen natuur- en staatkundige kaarten levert, maar ook bevolkingsdichtheden en economische produktie vermeldt.) Het voordeel van een geografisch informatiesysteem is niet alleen dat de informatie er toegankelijk en overzichtelijk mee gepresenteerd kan worden, maar ook dat de gegevens van verschillende kaarten gecombineerd kunnen worden, waardoor nieuwe conclusies getrokken kunnen worden. H o e dat werkt, blijkt als we samen met Harms achter de computer plaatsnemen. Het appai^aat is voorzien van een grafisch beeldscherm, zodat er landkaarten op geproduceerd kunnen worden. Aanvankelijk toont het beeld de omtrek van Nederland, maar Harms zoomt in op de Centrale Open Ruimte. "Stel dat we het plan Eland gaan uitvoeren. Aan het begin ziet de vegetatie er zo uit." O p de kaart verschijnt een groot aantal vrolijk gekleurde vierkantjes; elk blokje staat voor een vierkante kilometer, en de kleur geeft aan welk type vegetatie er in het gebied overheerst. " N u gaan we naar de situatie over tien jaar." In de blokjes begint de kleur blauw te overheersen. "Dat betekent: vegetaties van half open water, moerasachtige gebieden", verduidelijkt Harms. "Dat is het begin; de ontwikkeling van de vegetatie begint op gang te komen, al is het nog niet echt indrukwekkend." De volgende kaart is die van dertig jaar na nu. " N u komen de paarsere kleuren tevoorschijn", zegt Harms.
Tenslotte de prognose voor over honderd jaar. Het scherm is nu vooral bezaaid met rode en groene vlakjes. "Er beginnen nu echte loofbossen te komen", legt Harms uit. "Voor een deel zelfs al oud loofbos. Daarmee nadert het eindstadium." Wat met de vegetatie kan, kan ook met de fauna. Met de bestaande kennis over het eet- en voortplantingsgedrag van veel beesten kan het m o del berekenen of zij het in de toekomst beter dan wel slechter zuUen krijgen. Met opnieuw het scenario Eland laat Harms de lotgevallen in de komende eeuw zien van de bruine kiekendief, niet te verwarren met de blauwe kiekendief, de mascotte van een van de andere scenario's. "Een heel leuk beest om de werkwijze mee te demonstreren", zegt hij. O p het scherm verschijnen grijze cirkeltjes, die de actieradius van de bruine kiekendief voorstellen. Aan de hand daarvan bekijkt het model in welke gebieden zowel broed- als fourageermogelijkheden binnen het bereik van de vogel zijn. O p grond van die gegevens voorspelt het m o del dat de bruine kiekendief m o menteel vooral in de Biesbosch voorkomt (wat gelukkig klopt met de praktijk; wie zou een model vertrouwen dat zich al bij het voorspellen van het heden vergist?) Als het plan Eland in werking zou worden gezet, heeft de bruine kiekendief een mooie toekomst. Na tien jaar, voorspelt het model, heeft het aantal exemplaren zich verachtvoudigd en komt het dier in het hele rivierengebied voor. "Maar nu komt het spectaculaire", -waarschuwt Harms, terwijl hij de toestand over een eeuw tevoorschijn laat komen. Wat blijkt: de bruine kiekendief is weer teruggedrongen in de Biesbosch. "Na honderd jaar is de vegetatie van Eland volgroeid, maar daar heeft de bruine kiekendief weinig belang bij. Die houdt helemaal niet van bossen, maar heeft juist riet en ruigte nodig. Dus al doet hij het na tien jaar heel aardig, na honderd jaar ben je terug bij af." "Met zulke successie-effecten wordt bij vu MAGAZINE MAART 1992
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1992
VU-Magazine | 484 Pagina's