Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

VU Magazine 1992 - pagina 34

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VU Magazine 1992 - pagina 34

4 minuten leestijd

Hallu€igeni€i op zijn kop

DE WIWAXIA.

vroeg stadium van het ontstaan van het dierlijk leven. De geschiedenis van het onderzoek naar de Burgess fauna startte in 1909 toen de Amerikaanse paleontoloog Charles Walcott, op veldwerk in Canada min of meer bij toeval stuitte op enkele fossielen uit de Burgess Shale. Hij onderkende het belang onmiddellijk en besloot daarom gedurende enkele jaren fossielen te verzamelen. Walcott, die de belangrijke positie van secretaris van het Smithsonian Instituut in Washington bekleedde, bracht in totaal zo'n tachtig duizend exemplaren naar dit Smithsonian. Veel tijd om de Burgess fossielen in detail te bestuderen had hij echter niet, omdat zijn positie te veel beslag op hem legde. Wel slaagde hij erin korte beschrijvingen te geven van de belangrijkste vertegenwoordigers in de collectie. Walcott, een overtuigd christen èn evolutionist, beschreef de dieren als primitieve vertegenwoordigers van de reeds bekende diergroepen. Volgens Gould perste Walcott - wellicht onbewust, maar in ieder geval ten onrechte - het dierleven van Burgess in het keurslijf van zijn vooringenomen evolutionaire denkbeelden. Het leek hem op basis van de evolutie-theorie logisch te veronderstellen dat fossielen van een dergelijke ouderdom allemaal primitieve vertegenwoordigers zijn van diergroepen die later succesvol zijn.

Compitex

32 ^U MAGAZINE JANUARI 1992

Meer dan vijftig jaar bleef het door Walcott geschetste beeld van de Burgessfauna bestaan. In 1971 echter zette een expert op het gebied van fossiele trilohieten, de Engelsman Harry Whittington, zijn tanden in een herinterpretatie van de Burgess-fossielen. Hij werd geassisteerd door twee jonge promotie-studenten, de Engelse Simon Conway Morris en de Ierse Derek Brings, die zich respectie-

Ondanks het algemeen enthousiasme over de nieuwe reconstructie van de Burgess Shalefauna zijn er ook kritische geluiden te horen. Zo denkt Richard Fortey van het Londense Natuurhistorisch M u seum dat de vreemdsoortige fossielen uit de Burgess Shale niet veel meer afwijken in vorm dan de variatie die men vindt binnen huidige geleedpotige, als spinnen, krabben of insekten. O m dit te kunnen vaststellen vergeleek hij tweeëntwintig verschillende typen fossiele geleedpotigen en elf vertegenwoordigers van moderne geleedpotigen.

^ '^

DE CHINESE HALLUCIGENlAi

^ ^

DE NOG NAAMLOZE CHINESEVERWANT.

Fortey stelt dat vooronderstellingen over de verschillen tussen de Burgess Shale-typen hebben geleid tot een overschatting van hun bijzondere plaats in de evolutionaire geschiedenis van de geleedpotigen. Daarnaast is recentelijk een van de meest spectaculaire reconstructies van de Burgess organismen, Hallucigenia, onder vuur k o men te liggen. Chinese onderzoekers hebben in gesteentelagen van vergelijkbare ouderdom enkele fossielen gevonden van een diertje dat verwant lijkt aan Hallucigenia, maar dan moet men wel bereid zijn deze laatste op z'n kop te zetten. Het dier loopt dan niet meer op stekjes, maar op de beweegbare rugtentakels, die volgens de Chinese onderzoekers gepaard voorkomen. Hallucigenia is dan m e teen zijn positie als extreem vreemdsoortig wezen een beetje kwijt. Met de omdraaiing zou hij zowel verwant zijn aan een tijdgenoot, Aysheaia, als aan een recente groep bewoners van het tropisch regenwoud, de wormachtige klauwtjesdragers (Onychophora). Of Hallucigenia in zijn 'nieuwe' stand al stevig genoeg in het 1 1 -

1

zadel Zit, valt overigens n o g te bezien.

velijk op de 'wormen' en de 'tweekleppige geleedpotigen' zouden werpen. Zij onderwierpen de geplette fossielen aan een veel nauwgezetter onderzoek dan Walcott ooit had gedaan. Hiervoor gebruikten zij preparatietechnieken waarmee in principe de gehele driedimensionale structuur van het oorspronkelijke dier gereconstrueerd kon worden. Het team van Whittington viel van de ene verbazing in de andere. De dieren bleken allerminst een eenvoudige en primitieve bouw te bezitten, maar zijn juist vaak enorm

'•"^' • '"

#

I

;K^

é ^ ^ ^ W

Ay^HEAIA

EEN TIJDGENOOT VAN HALLUCIGENIA.

complex en gespecialiseerd. En wat belangrijker is, door het bezit van afwijkende kenmerken zijn de meeste dieren eigenlijk niet in te delen in bekende diergroepen. Het zijn dieren die geen moderne verwanten lijken te hebben. Enkele van hen hebben een zo bizar uiterlijk dat de onderzoekers dit in de naamgeving tot uitdrukking hebben gebracht (bijvoorbeeld: Hallucigenia). Veel van de wonderlijke Burgesswezens zijn nauwelijks met een pen te beschrijven. Zo gelijkt de Wiwaxia, die door Walcott als een

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1992

VU-Magazine | 484 Pagina's

VU Magazine 1992 - pagina 34

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1992

VU-Magazine | 484 Pagina's