VU Magazine 1992 - pagina 390
"welig tierende juffrouv/en-schrijverijen, waarvan een dozijn met t^vaalf nauwelijks compleet kan heten". De schrijfsters worden "romansfabrikante" en "romanmodiste" genoemd. In de tirades van Ter Braak en Du Perron tegen de 'damesroman' duikt steeds de grote produktie van de vrouwen op als bron van ergernis.
Saoi en flauw
36 v u /^AAGAZINE CXTOeER 1W2
De uitspraken van critici over vrouwenromans als maatschappelijk verschijnsel lijken dus vooral te maken te hebben met agressie tegen vrouwen. Vreemd genoeg trekt Erica van Boven deze voor de hand Hggende conclusie niet. Voorlopig is het voor haar blijkbaar voldoende om vast te stellen dat de meeste uitspraken van critici over de maatschappelijke betekenis van vrouwenromans niets zeggen over de aard van die romans. Ze vervolgt haar speurtocht met een analyse van het ontstaan van het begrip 'damesroman'. In dit centrale deel van haar dissertatie wordt duidelijk hoe de uitdrijving van de vrouwelijke schrijvers uit de Nederlandse literatuur in feite heeft plaatsgevonden. De term 'damesroman' werd al emd negentiende eeuw gebruikt om aan te geven dat een bepaald boek ^weinig hteraire waarde heeft. Geertruida Bosboom-Toussaint bijvoorbeeld beschrijft haar eigen werk als niet b e horend bij dat van de damesromanschrijfsters omdat het levendig en krachtig is; blijkbaar zijn damesromans saai en flauw. Tot ongeveer 1915 werd het begrip gebruikt a la Bosboom-Toussaint, om onderscheid te maken tussen goede en slechte schrijfsters. Auteurs als Jo van Ammers-Kueller, Ina Boudier-Bakker, Carry van Bruggen, Top Naeff, Jeanne Reyneke van Stuwe, Annie Salomons en Elisabeth Zernike werden door de critici nadrukkelijk apart gezet van de damesromanschrijfsters om aan te geven dat hun werk echte literatuur v/as. Maar in de tv/e e de helft van de beschreven periode werd de term steeds minder kieskeurig gebruikt en veranderde in een soortnaam voor alle boeken van vrouwen. Het gevolg was dat schrijfsters die aanvankelijk werden onderscheiden van de damesromanschrijfsters, in latere handboeken ook onder dat kopje terecht kwamen.
Vooral Ter Braak en Du Perron, de woordvoerders van een nieuwe literaire generatie, hebben hiertoe bijdragen. H u n lijfspreuk 'geen vorm maar vent' blijkt letterlijker te moeten worden opgevat dan meestal wordt gedaan. Zij deden hun aanval op de 'damesromans' in twee korte geschriften uit de jaren dertig, genaamd 'Le chemin des Dames' en 'Jan Lubbes'. De vrouwelijke schrijfsters werden in deze opstellen afgeschilderd als de hardnekkigste en minst geslaagde vertegenwoordigers van de gehate literaire stroming van het burgerlijk realisme. Ter Braak en Du Perron gebruikten het begrip damesroman dus om zich als jonge kunstenaars af te zetten tegen een vorige generatie schrijvers. O p die manier vermengden zij op een uiterst moeilijk te ontwarren manier hun agressie tegen vrouwen en vrouwelijkheid met die tegen hun literaire voorgangers.
Vrouwenhaaf Op dit punt aangekomen, zou men het onderzoek van Erica van Boven als voltooid kunnen beschouwen: onder alle argumenten tegen de 'damesroman' blijkt steeds weer ordinaire vrouwenhaat te zitten. Maar Erica van Boven vermijdt - zoals steeds - begrippen als vrouwenhaat en seksisme. In plaats daarvan onderzoekt ze als laatste onderdeel van
haar proefschrift hoe de heersende sekse-ideologie (dus de manier waarop mensen denken over taak en wezen van mannen en vrouv/en) van invloed was op de visie van de critici. Je zou kunnen zeggen dat ze op die manier probeert te verklaren waarom een overduideHjk unfaire aanval als die van Ter Braak en Du Perron geen enkel protest opriep maar daarentegen het lot van de schrijfsters bezegelde. Blijkbaar deelde men deze visie op vrouwen en schrijverschap. O m een beeld te krijgen van die sekse-ideologie onderzocht Erica van Boven vier boeken van rond At eeuv/wisseling over 'het v/ezen van de vrouw'. Dit soort boeken werd in die tijd veel geschreven en gelezen. De gekozen boeken hadden - blijkens citaten en toespelingen - ook veel invloed op literaire critici. De besproken schrijvers zagen de sekseverschillen als een verschil m psyche: vrouwen hadden volgens hen een fundamenteel ander gevoels- en gedachtenleven dan mannen. Terwijl de sekseverschillen tegenv/oordig vooral verklaard v/orden door sociale factoren dacht men toen meestal dat de seksen andere roUen hebben omdat ze van nature anders zijn. Men was hartstochtelijk op zoek naar de ware aard van de vrouw om op grond daarvan de voor haar meest geschikte taken en levenswijze te bepalen. De boeken over de 'aard van de vrouw' hadden dus ook een belangrijk normatief aspect. Hier ligt het verband met het onderzoek van Erica van Boven. In de literaire kritieken zijn namelijk ook steeds weer de vermeende eigenschappen van vrouwen, zoals emotionaHteit, gerichtheid op liefde, gebrek aan intellect en persoonlijkheid, terug te vinden als normen waaraan vrouwen hoorden te voldoen. De onderzoekster laat zien hoe negatief dat voor vrouwelijke auteurs uit-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1992
VU-Magazine | 484 Pagina's