Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

VU Magazine 1992 - pagina 322

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VU Magazine 1992 - pagina 322

5 minuten leestijd

schimmels in de wetenschap heten, zijn onafscheidelijk verbonden met aftakeling, verval en dood. Helemaal onterecht is die associatie uiteraard niet. In de natuurlijke kringloop behoren schimmels tot de grootste opruimers; organisch materiaal breken zij weer af tot de oorspronkeHjke grondstoffen. In sommige gebieden, zoals bossen, is hun fianctie ronduit onontbeerHjk: als enige groep levende wezens zijn schimmels in staat om zelfs het hardste hout tot de laatste vezel af te breken. Maar een handicap is het wel, dat negatieve imago van de schimmel, weet men bij het Centraal Bureau voor de Schimmelcultures in Baarn. Duizenden verschillende soorten schimmels worden in Baarn bestudeerd, gecatalogiseerd en - het b e langrijkste - geconserveerd. Het blijkt vaak moeilijk studenten te interesseren voor een onderzoekstage laat staan een carrière op het instituut. Wie wil er zijn leven wijden aan de bestudering van een biologische lastpak? Franco

12 VU MAGAZINE SEPTEMBER 1992

Al in 1903, toen het wetenschapsbedrijf nog vele malen kleiner was dan tegenwoordig, stelde de Association Internationale des Botanistes voor om aUe bekende schimmelsoorten in een centrale collectie onder te brengen. Dat was gemakkelijk, vond men: wetenschappers zouden op aanvraag snel over een exemplaar van iedere bekende schimmel kunnen beschikken, zonder dat ze daarvoor zelf een uitgebreide verzameHng hoefden aan te houden. Het bureau kwam er, en werd gevestigd in het rustieke dorpje Baarn. Daar zit het nog steeds, al zijn er plannen om te verhuizen naar het Utrechtse universiteitscomplex D e Uithof Dat zou het contact met collega-wetenschappers een stuk gemakkelijker maken. Al is er sinds 1903 veel veranderd, het hart van het tegenwoordige bureau wordt nog steeds gevormd door de schimmelcoUectie. Met ruim zesentwintigduizend stammen is die nu een van de grootste ter wereld. En dan zijn de vijfduizend giststammen, die weHswaar in Delft worden bewaard maar eveneens behoren tot dit bureau, nog niet eens meegerekend. D e faam van de coUectie heeft zich sinds het ontstaan aUeen maar uitgebreid. Vandaag de dag maken w e -

tenschappers uit de hele wereld er dankbaar gebruik van. W i e voor zijn onderzoek een monster van een bepaalde schimmel nodig heeft, hoeft slechts een formuliertje in te vullen en naar Baarn te sturen. De schimmel wordt dan franco thuisbezorgd. Duur? Slechts vijfenzeventig gulden per bestelling. Alleen commerciële instanties, zoals farmaceutische bedrijven, betalen vijftig gulden meer. "Omdat we voornamelijk werken voor de wetenschap, proberen we de prijs zo laag mogelijk te houden. W e vragen nauwelijks meer dan wat we kwijt zijn aan het vriesdrogen, het enten en het verzenden," vertelt dr. J.A. Stalpers, beheerder van de verzameHng. "De kosten van het onderhoud van de coUectie worden niet doorberekend." Oploskoffie Net als zijn voorgangers bij het instituut is Stalpers voortdurend bezig met de vraag hoe de tienduizenden schimmels het best bewaard kunnen worden. Van oudsher was het gebruikelijk de schimmel te laten groeien op een voedingsbodem van agar, een soort gestolde bouiUon. Maar die klassieke methode heeft nadelen: de buisjes met agar raken geleidelijk aan vol, of de schimmel raakt door z'n voedsel heen. Overenten in een nieuw, steriel buisje is dan de enige oplossing. Bovendien weetje maar nooit of zich tijdens de groei geen kleine veranderingen in de schimmel voordoen. Vandaar dat de laatste tijd twee andere methoden in zwang zijn geraakt: invriezen en vriesdrogen. Het eerste gebeurt bij een temperatuur van -190 graden Celsius. Voor het laatste wordt het materiaal eerst bevroren, om vervolgens van aUe water ontdaan te worden. Wat overbUjft is droge stof, die bij kamertemperatuur bewaard kan worden. O o k oploskoffie wordt bijvoorbeeld op deze manier gemaakt. De moderne methoden zijn langzamerhand de klassieke coUectie aan het verdringen. Minder dan de helft van de schimmelmonsters wordt nu nog groeiend op agar bewaard; het merendeel wordt door middel van vriesdrogen geschikt gemaakt om lang bewaard te worden. Het instituut neemt overigens wel het zekere voor het onzekere: behalve in de zalen van het gebouw wordt van elke stam ook nog een

buisje bewaard in een nabijgelegen kelder. Mocht de officiële coUectie ooit door brand of oorlogsgeweld worden vernietigd, dan zal men op deze noodvoorraad kunnen terugvaUen. "We beheren hier een ontzettend grote genenpool, waaruit ook in de toekomst nog veel geput kan worden, voor toepassingen die w e nu nog niet kennen", zegt Stalpers. "Vandaar dat de coUectie goed beschermd moet worden." Diep dal In 1968 kwam het bureau in handen van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen. H e t werd het startsein voor de uitbreiding van de wetenschappelijke activiteiten. Die opgang werd echter danig geremd door een negatieve ontwikkeling: de belangsteUing voor taxonomisch onderzoek - het inventariseren en catalogiseren van soorten - is de laatste decennia drastisch afgenomen. De samenleving Hjkt steeds minder behoefte te hebben aan het beschrijven en ordenen van de levende natuur. H o e organismen werken, en hoe je ze nuttig kunt maken, dat is belangrijk. In de universitaire bezuinigingsoperaties van de jaren tachtig werd die ontwikkeling bestendigd: het taxonomisch onderzoek moest een forse veer laten. O o k uit de onderwijsprogramma's verdwenen vrijwel aUe taxonomische onderdelen, vaak m e de vanwege gebrek aan belangstelling van studenten. "De taxonomie in Nederland is door een diep, diep dal gegaan", verzucht dr. D. van der Mei, directeur van het Baarnse instituut. "Er zijn in Nederland nog maar drie instituten met een taxonomische hoofdopdracht: het Rijksherbarium in Leiden voor de planten, het I T Z in Amsterdam voor dieren en ons instituut voor schimmels." Een ongewenste ontwikkeling, vindt Van der Mei. "Men vergeet nogal eens dat je een correcte omschrijving van een organisme n o dig hebt, voordat je er onderzoek mee kunt doen. Er zijn voorbeelden van onderzoekers die jarenlang de mist in zijn gegaan doordat ze met het verkeerde organisme bleken te werken." Toch gloort er hoop voor de taxonomen, en daarmee ook voor het onderzoek dat in Baarn wordt verricht. Want tegen veler verwachting

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1992

VU-Magazine | 484 Pagina's

VU Magazine 1992 - pagina 322

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1992

VU-Magazine | 484 Pagina's