VU Magazine 1992 - pagina 40
op de vraag of de blootstelling aan allergenen, zoals pollen en mijten, is toegenomen. Wat de pollen betreft, is dat waarschijnlijk niet het geval: de oprukkende verstedelijking heeft juist een vermindering van de blootstelling aan poUen tot gevolg gehad. Wat betreft de blootstelling aan mijten (oorzaak van allergische astma) ligt de zaak ingewikkelder. Mijten leven bij voorkeur in textiel onder v/arme en vochtige omstandigheden. Voordat er een massale tendens was om huizen te gaan isoleren, constateerden onderzoekers juist een lichte afname van het aantal mijten in w o ningen. Daarna zou die weer toegenomen zijn. Daarentegen zal onder de gebrekkige hygiënische omstandigheden van vroeger de vervuiling van bijvoorbeeld beddegoed met mijten weer veel groter zijn geweest dan vandaag de dag. Enige tijd geleden heeft een aantal onderzoekingen plaatsgevonden om erachter te komen of het zinvol is om kinderen op te voeden met een zo laag mogelijke allergeenbelasting. Dat kon volgens de Engelse onderzoeker Soothil gebeuren door de kinderen twaalf maanden borstvoedmg te geven. Uit deze onderzoekingen is echter geen duidelijk resultaat naar voren gekomen. Het heeft in ieder geval geen zin om kinderen te vrijwaren van contact met allergenen. D e N H A N E S onderzoekers voegen daar nog aan toe dat mogelijk door het opgroeien in een inilieu met een hoge sociaal-economische status de blootstelling aan luchtallergenen verminderd is en er geen tolerantie wordt ontwikkeld, zoals dat in een omgeving zou gebeuren met een lagere sociaal-economische status. Men heeft ontdekt, zo zeggen de onderzoekers, dat blootstelling aan een allergeen op een vroeg tijdstip in het leven de ontwikkeling van tolerantie hiervoor bevordert. De m e n sen zouden dus te schoon leven!
Slijmvlies
38 vu MAGAZINE JANUARI 1992
Een van de oorzaken die vaak worden genoemd is luchtverontreiniging door verbrandingsgassen. Dat zou bijvoorbeeld verklaren waarom veel allergieën worden aangetroffen in de grote steden. Volgens Wüthrich kunnen atmosferische vervuilers het sHjmvlies van de ademhalingswegen irriteren, waardoor allergenen als pollen en afscheidingsprodukten van mijten gemakkelijker toegang krij-
POLLEN.
gen. Bovendien, zo zegt hij, stimuleren luchtvervuilende stoffen de IgErespons. Dit zou zijn aangetoond bij Guinese biggetjes en muizen. In het Japanse district Nikko Imaichi kwam onder de 100.000 inwoners hooikoorts voor bij 9,6 procent (hetzelfde percentage als in Zwitserland). Langs de snelwegen (waar cederbomen waren geplant) bij 13,2 procent (veel luchtverontreiniging en pollen) en in dorpen bij het cederbos (veel pollen, weinig verkeer) 8,8 procent; in de bossen (geen verkeer, veel pollen) 5,1 procent en in de bergen (geen verkeer, geen pollen) 1,7 procent. In steden en dorpen zonder pollen en met veel verkeer was de incidentie 9,6 procent. Dat suggereert dat de luchtverontreiniging de allergie voor pollen flink versterkt. De Amsterdamse hoogleraar R.C. Aalberse wijst echter op het bezwaar dat kleeft aan het associatieve karakter van deze epidemiologische onderzoekingen. Meer waarde hecht hij aan de dierexperimenten, maar die zijn volgens hem tot nog toe niet goed gedaan. Een punt waar nogal gemakkelijk aan voorbij wordt gegaan is de vraag of de luchtverontreiniging werkelijk is toegenomen. In de literatuur gaat men er steeds van uit dat dit het geval is, maar argumenten worden niet aangedragen. Met luchtverontreiniging wordt in dit verband niet bedoeld het toegenomen koolzuurgasgehalte in de lucht of de lozingen van 'spuitbusgassen', maar de vervuiling met verbrandingsgassen in en om de w o ning. Er zijn tal van aanwijzingen dat de luchtverontreiniging met deze
stoffen ( S 0 2 , N O x , roet) vroeger veel en veel ernstiger was dan tegenwoordig. Er wordt nu veel meer gebruik gemaakt van gas, en dat is een schonere brandstof dan hout, olie of kolen. De verbranding van deze brandstoffen en de afvoer van de afvalgassen zijn verbeterd. Een gedeelte van de verbranding van fossiele brandstoffen is vervangen door elektriciteit. Daar kan tegenin worden gebracht dat de mens tegenwoordig auto rijdt en sigaretten rookt, maar een auto staat tenminste nog in de open lucht te roken. En sigaretten tasten weliswaar de longen aan, maar uit een Amerikaans onderzoek is duideHjk gebleken dat de rook van een gemiddeld kampvuur ongeveer driehonderdvijftig maal zoveel van het kankerverwekkende benz-a-pyreen bevat als de rook van een sigaret.
Rohers De Wageningse hoogleraar dr. Jan Boley heeft zich beziggehouden met de luchtverontreiniging in de w o ningen in derdewereldlanden. Hier wordt met houtvuurtjes gekookt en verwarmd en Boley zegt dat hij het in zo'n rokerige ruimte geen twee minuten uithoudt. O o k vindt hij dat een dergeHjke luchtverontreiniging veel ernstiger is dan de luchtverontreiniging waaraan bijvoorbeeld passieve rokers worden blootgesteld. Uit onderzoek bleek dat in de Noordamerikaanse plaats Albuquerque de houtvuren meer kankerverwekkende verbindingen in de lucht brachten dan het autoverkeer ter plekke. De longen van driehonderd jaar geleden gestorven Eskimo's in
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1992
VU-Magazine | 484 Pagina's