Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

VU Magazine 1992 - pagina 348

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VU Magazine 1992 - pagina 348

5 minuten leestijd

als de anekdotiek rond zijn persoon overtuigend laat zien. Maar het vakgebied - rechtshistorie, met name de geschiedenis van het romeins recht waarop hij zijn juridische deskundigheid richtte, lijkt nu niet direct een wetenschappelijke disciphne v/aarvan veel spraakmakend spektakel te verwachten is. Het heeft in dat opzicht zelfs "wel wat v/eg van de dode taal waarin verstrooide professoren zich bij voorkeur specialiseren. Volgens gezaghebbende fijnproevers op dit terrein heeft Scheltema in het vak echter zijn sporen verdiend, met name met een bewerkte heruitgave van de 'Basilica' {Ta basilika nómima, 'de keizerhjke wetten' uit het Byzantijnse rijk, waarvoor de traditionele Romeinse rechtsbronnen als fundament hadden gediend). Als "een werk, te groot voor één mens", zo had Scheltema zelf ooit eerder de monnikenarbeid (zijn "levenslange slavernij") omschreven, die hij kort voor zijn dood, met hulp van twee assistenten, nochtans met succes ten einde bracht. Wetenschappelijke reikwijdte en maatschappelijke relevantie van dit v/erk v/aren gering, besefte hij soms. Dan sprak hij zichzelf en zijn helpers moed in met een relativerend: "Wij doen dit alleen voor onszelf'. Verlakkerij

38

Naam in bredere kring maakte Scheltema wél door een mystificatie waaraan zijn onbedwingbare kwajongensachtige neiging tot het voor de gek houden van goedgelovige dwepers weer niet geheel vreemd zal zijn geweest. In allerhande bloemlezingen uit de poëzie van de twintigste eeuw zijn gedichten terug te vinden van ene N.E.M. Pareau; een dichter wiens juiste identiteit lang in nevelen gehuld bleef. Door loslippigheid van een enkeling die onbedoeld op de hoogte was, wist m e nigeen uiteindelijk dat achter dit pseudoniem H.J. Scheltema schuil ging; de toenmalige rechtenstudent die samen met studiegenoot A.J.P. Tammes (publicerend onder het pseudoniem J . C . Noordstar) een poëtisch monsterverbond had gesloten. De dichtkunst van N.E.M. Pareau (als kind verbasterde Herman Scheltema zijn voornaam zelf tot 'Nem') is door poëziecriticus Tom van Deel niet ten onrechte omschreven als "gevoehge verlakkerij in archaïserende stijl". Qua techniek zit-

VU MAGAZINE SEPIEMBER 1992

ten de vormvaste verzen ingenieus in elkaar. Die kwaliteit doet, samen met het barok-ouderwetse taalgebruik, minder geoefende poëzielezers met open ogen in de val der blinde bewondering trappen. Maar ook een doorgewinterde poëzievreter als Gerrit Komrij schijnt, naar eigen zeggen, maar niet los te kunnen komen van melige regels als "Het weer is fraai, de zonneschijn/ verwarmt het H . W . Mesdagplein". Het feit dat Scheltema zijn dichtend alter ego met uiterste discretie omgaf, ja zelfs ronduit vijandig reageren kon op degenen die zijn pseudoniem dreigden te onthullen, geeft aan dat hij zelf aan zijn poëtische vruchten betrekkelijk weinig waarde hechtte. Zijn dichterlijke oprispingen waren van zeer tijdelijke aard en vloeiden vooral voort uit het feit dat hij zich in zijn studententijd veelvuldig bewoog in het artistieke Groningse kringetje waarvan langere of kortere tijd ook letterkundigen als Halho C. Kool en Hendrik de Vries, en journalisten als E. Elias, deel uitmaakten. Scheltema zelf hierover in een interview uit '67: "Het schrijven van gedichten beschouwden we als speelsigheidjes. Zodra dichtkunst ernst wordt, wordt het vervelend. Van die mensen die zo eerlijk wülen zijn. Ik ben heel ouderwets." Niets anders dan "baldadige oppervlakkigheid" had hij met zijn verzen voor ogen. Want het heersende poëzieklimaat in Nederland verafschuwde hij: "Te lang reeds knipten wij het vers per ellemaat;/ de felste spot kon niet de dichtersbent verstoren,/ schier veertig jaren toch draagt Midas ezelsooren/ en wordt hem poezij onnoozeler zottenpraat." Het schaarse aantal gedichten dat Pareau pubUceerde vóór hij in 1947 als dichter er voorgoed het zwijgen toe deed, kregen echter zijns ondanks literaire erkenning. Voor een bijdrage over 'Student en cultuur', in een bundel van het Groningse studentencorps, mat Scheltema zich daarom in 1965 opnieuw een nom de plume aan -J. Taco Huisman - en sabelde zijn eigen verskunst en die van zijn dichtende confrater van weleer genadeloos neer als "de verwarde poëzij van J.C. Noordstar" en "de lachwekkende plechtstatigheid van N.E.M. Pareau". Geen wonder dus dat, toen een als romantisch poëet uitgedoste jongeman (de dan nog onbekende dichter Jean Pierre Rawie) hem aan een cafétafel lastig wilde

vallen met oprecht bedoelde compHmenten, Scheltema uitriep: "Ga weg, kwast!" Pummels Ondanks zijn excentriciteit bracht Scheltema het als hoogleraar nog tot rector van de Rijksuniversiteit te Groningen; een instelling die hij als het zo uitkwam gretig verguisde: "Pummels nemen ze hier graag," zei hij dan, "van die mensen met wie je eigenlijk niet kunt omgaan." Na zijn emeritaat noemde hij de universiteit "een baaierd van afgunst". Een diepe afkeer had hij ook van v/etenschappelijke congressen die hij als "kermissen der ijdelheid" omschreef, en van de "droogheid en onbegrijpelijkheid" waarvan hij de wetenschap doortrokken zag. "Veel lezen maakt dom", riep hij van tijd tot tijd zijn assistenten toe; een paradoxale uitspraak met een kern van waarheid, omdat hij daarmee het klakkeloos voortborduren op onderzoek van anderen en daarmee het gebrek aan onbevangenheid en oorspronkelijkheid in de wetenschapsbeoefening aan de kaak stelde. Professor Zonderling bleef tot zijn dood ongrijpbaar voor z'n omgeving. (Zelfs zijn wens om op Ameland - geboortegrond van zijn vader - te worden begraven werd door wantrouwige kennissen nog als een laatste, morbide grap uitgelegd.) Vanzelfsprekend moet zich achter zo'n hard pantser, opgetrokken uit afstandelijkheid, recalcitrantie en spotlust, wel een verlegen en gevoehge persoonlijkheid verbergen, psychologiseert Henssen tot slot van zijn biografie. De argumenten daarvoor blijven echter achterwege; Henssen heeft ze niet kunnen achterhalen. Uit het hele boek - hoe anekdotisch en onderhoudend ook blijkt dat Scheltema zelfs voor zijn biograaf ongrijpbaar is gebleven. Zijn leven was de ultieme practical joke.

E.W.A. Henssen: Langs zelfgekozen paden; H.J. Scheltema, N.E.M. Pareau & Mr. J.Jer. van Nes, Querido, f49,90.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1992

VU-Magazine | 484 Pagina's

VU Magazine 1992 - pagina 348

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1992

VU-Magazine | 484 Pagina's