VU Magazine 1992 - pagina 285
zijn naamsbekendheid uiteraard m e de aan de spectaculaire acties die ze voert. Deels heeft ze de groei van haar aanhang echter ook te danken aan het reclamebureau Ogylvie & Mather, dat de wervingscampagne opzette, en aan Veronica, dat twee keer avondvullend aandacht besteedde aan Greenpeace. De 'leden' van Greenpeace zijn echter niet meer dan donateurs. Zelfs al zouden ze dat willen, dan nog zouden ze niet meer kunnen doen dan geld storten op de Greenpeace-rekening en - wie weet gehuld in een Greenpeace-t-shirt - de acties op de televisie volgen. Actie voeren in de jaren negentig stelt, kortom, vooralsnog niet zoveel voor. Waar blijven de twintigers van dit decennium?
Ze hadden een argument nodig. Een argument om variété- en circusartiesten, alsmede poppenspelers, niet onder de definitie te brengen van "uitvoerend kunstenaar". Daartoe zouden wel moeten behoren: toneelspelers, zangers, musici, dansers en voorts "ieder andere persoon die een werk van letterkunde of kunst opvoert, zingt, voordraagt of op enige andere wijze uitvoert". De zinsbouw verraadt al dat het om een wetstekst gaat: één uit het ontwerp voor een 'Wet op de Naburige Rechten'. Wat zijn dat? Het gaat om rechten die artiesten, platenproducenten en omroeporganisaties hebben op hun produkten. Zij zijn geen "moker van een werk van letterkunde, wetenschap of kunst", wier werk wordt beschermd door de Auteurswet 1912. Hun rechten lijken er echter op - zijn naburig - omdat de vertolker een zelfstandige prestatie levert, en platenmakers en omroepen die prestaties vastleggen en uitbaten. Eindelijk wordt dit nu erkend, een eeuw nadat het mogelijk werd uitvoeringen te vereeuwigen. Eerder waren deze te vluchtig om er zelfstandig rechten aan te ontlenen, anders dan de eis van een entréekoart. Terug naar de circusartiesten. Zij zouden volgens de regering een naburig recht moeten ontberen. Wat zij opvoeren is geen letterkunde of kunst. Wat zij brengen is amusemen\. Waarna een juweeltje van hogere uiflegkunde volgt (uit de memorie van antwoord, op 1 1 juni 1990 getekend door de Staatssecretaris van Justitie en de Minister van Cultuur (!), bij wetsontwerp nr. 21.244, pagina "Sport, variété, circus zijn vormen van omusement, dat wil zeggen uitingen die niet door de muzen zijn geïnspireerd. Toegegeven kan worden dat dit heden ten dage niet meer als feilloos onderscheidend criterium kon worden aangewend (zo schrijven de ambtenaren heel
Het Sociaal en Cultureel Planbureau schetste in een kort geleden verschenen rapport over deze twintigers (jongeren tussen de 18 en 24 jaar, om precies te zijn) een rozig beeld van deze generatie. D e meeste j o n geren van deze leeftijd w o n e n nog 'thuis', ze maken betrekkelijk weinig ruzie met hun ouders en ze zijn het met hen eens over normen en waarden: net als h u n ouders vinden zij leren belangrijk en een leuke baan met een goed salaris en een gelukkig gezin - met de vrouw liefst thuis. Van een generatiekloof, laat staan een conflict is volgens het rapport geenszins sprake. Het is - zo lijkt het geen wonder dat een derde protestgolf uitblijft: de eerste en de tweede ontleenden h u n dreiging immers
COLUMN ERIK
J U RG E N S
A-MUSEMENT eestig, E.J.). Niettemin is de fussenomst van de muzen zeker wel een notie die kan doorwerken om de domeinen te scheiden. De kunst bestrijkt het terrein van de begoocheling. Men noemt de techniek van de begoocheling dan ook geen kunst, maar vat ze samen onder het begrip toeren: goocheltoer, circustoer, etcetera. De begrippen culturele expressie enerzijds en toer anderzijds markeren het verschil vrij precies." Moor de bewindslieden hadden vergeten dat sommige Kamerleden beschikken over etymologische woordenboeken. Daaruit blijkt dat in amusement het woord muze in het geheel niet voorkomt! Het woord ontstaat in de zestiende eeuw in Frankrijk, en wordt afgeleid van museau dat 'snuit, muil' betekent. Amuser zou oorspronkelijk zoiets als 'zich vergapen' hebben betekend. Dat doe je met open mond (Duits: Maulaffen feilnalten]. Hoe het daarmee gevormde woord amuser in de zeventiende eeuw 'verstrooien' is gaan betekenen loot zich raden. En ons vergapen kunnen we zowel aan oppenspelers als aan Pogorelitsj. Wel estaat het woord 'amusie', het van de muzen verstoken zijn: wellicht had Kleio,
voor een belangrijk deel aan het gegeven dat er een generatieconflict in meespeelde. Maar wellicht staan er binnenkort enkele twintigers op die, net zoals Duyvendak en Koopmans dat doen voor mijn generatie, de geschiedenis herschrijven en de rechtmatige plaats van h u n generatie daarin opeisen.
Naar aanleiding van: J . W . Duyvendak, H.A. van der Heijden, R. Koopmans, L. Wijmans, Tussen verbeelding en macht. 25 Jaar nieuwe sociale bewegingen in Nederland. Uitgeverij SUA, 1992.
de muze van de (woord)geschiedenis, de ambtenaren begoocheld (door handigheid misleid, betoverd) toen dezen het onderscheid bedachten tussen culturele expressie en toer (daad die behendigheid vereist, afgeleid van het Franse tour, 'rondje'). De regering heeft intussen ingezien dat kunst en kunsten maken niet goed zijn te onderscheiden: de artiesten krijgen hun naburig recht alsnog. Niet de 'topsporters'! Ook daar is van behendigheid sprake, soms zelfs van massa-begoocheling van volle stadions. "Het is niet we! denKbaor dat het voetbolspel in het kader van het landelijk kunstbeleid gesubsidieerd zou worden", schrijven boven reeds vermelde bewindslieden (aan het monstrum 'bewindspersonen' vertik ik het mee te werken). De regering was als de dood dat als ze circusartiesten zou erkennen in hun rechten, ook de sportbeoefenaren die zouden opeisen. Laat sport nu bij uitstek verstrooiing, amusement, recreatie betekenen (het disporfum is de recreatieruimte in een klooster, van disportari, zich naar elders begeven)! Sinds rond 1 8 6 0 is het woord in Engeland in zwang gekomen voor de spelen en oefeningen die in de public schools in zwang raakten (rugby, cricket, voetbal) en zich ook onder het publiek verspreidden. Zo gebruiken we het nu. Het gaat don om zelf aan zulke spelen en oefeningen meedoen. En wel als recreatie. Helaas wordt het woord nu ook gebruikt voor mensen die dot spel beroepshalve spelen ten behoeve van toeschouwers. Die 'sportbeoefenaren' ontspannen zich in genen dele. Zijn ze dan sport-artiesten geworden? Behendigheid en een goede mentale en fysieke conditie is inderdaad nodig. Maar ik kon mij voorstellen dat de bewindslieden bij die wat potsierlijk kortgebroekte mannen die achter een bol aanhollen en elkaar onderuit halen, echt niet meer aan kunst denken.
19
vu MAGAZINE jUL/AUG 1992
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1992
VU-Magazine | 484 Pagina's