VU Magazine 1992 - pagina 124
moraal, zonder welke de mens zijn medemens onophoudelijk naar het leven zou staan. De erkenning hiervan, èn het negatieve oordeel hierover, zijn onder meer terug te vinden bij Nietzsche. Min of meer uit het vorige punt voortvloeiend is de stelling dat godsdienst en geloof, die door velen gedeeld worden, de stabiliteit van een samenleving ten goede komen. Een restje Durkheim dus. En datzelfde geldt tenslotte ook voor de minder vaak gehoorde hypothese, als zou godsdienst het fundament vormen van de cultuur die zonder dat, als gevolg van individualisme en inhoudsloosheid, zou vervlakken en uiteindelijk zelfs verdampen. Wat deze, door sociaal-theoretici als functies omschreven, betekenissen van geloof en godsdienst gemeen hebben is, dat ze op een of andere manier zekerheid verschaffen aan de persoon, de samenleving en de cultuur. En dat is nu juist het punt dat bij sommige theologen en gelovigen, vrij plotsehng en in sterk toenemende mate, irritatie oproept. Allergie
34
Z o ' n theoloog, die tegen de zekerheid des geloofs ageert, is dr. Anton van Harskamp, een aan de Katholieke Universiteit Nijmegen gepromoveerde theoloog en godsdienstfilosoof die sinds enkele jaren aan het Bezinningscentrum van de Vrije Universiteit is verbonden. In twee vrij recente publikaties zette hij zijn ergernis uiteen. Voor leken deed hij dit in een hoofdstuk dat onder de titel 'Geloven zonder zekerheid? Aantekeningen over de postmoderne tijd en het geloof verscheen in de in 1990 door Kok Agora uitgegeven bundel 'Godsdienst op een keerpunt'. Voor de meer gevorderden deed hij het nog eens dunnetjes over in een artikel ('Behoefte aan religie of verlangen naar God?') dat, in het herfstnummer van 1991, in Tijdschrift voor Theologie verscheen. "Theologen zijn allergisch voor het woord functie", schrijft hij in laatstgenoemde publikatie. En, kunnen we daaraan toevoegen, voor godsdienstsociologen. Wat Van Harskamp betreft mogen we die allergie bovendien gerust uitbreiden tot het begrip zekerheid. Want zijn betoog mondt uit in een theologische kritiek op zekerheid als essentie van het christelijk geloof.
VU MAGAZINE MAART ] 992
Dit element uit zijn verhaal laat ik verder buiten beschouwing omdat het de dogmatiek betreft; een vakgebied waarover de objectieve godsdienstsocioloog geen uitspraken behoort te doen. Hier is alleen het objectief waarneembare feit aan de orde dat, zoals ik hierboven beschreef, het geloof aan veel gelovigen een laatste zekerheid verschaft ('vaste rots van mijn behoud'), die in maatschappehjk opzicht een - zij het afgeleide - functie kan hebben. De weerzin tegen dit functie-begrip valt in Van Harskamps visie min of meer samen met de aversie jegens de theorie van Durkheim. In beide gevallen loopt de godsdienst het risico te worden 'wegverklaard' en elke intrinsieke - dat wil in dit verband zeggen: niet tot iets anders te herleiden - waarde te verliezen. "Daarom", aldus Van Harskamp, "dienen juist om theologische redenen godsdienst en geloof ideologiekritisch gereinigd te worden van verborgen en aUeen zichzelf dienende belangen." Sterker nog: ze moeten "functieloos gemaakt worden." Desondanks meent ook Van Harskamp dat godsdienst en geloof ergens goed voor zijn, omdat ze, eenmaal functieloos gemaakt, ook dan nog "de bedoeling hebben functioneel te zijn, te strekken tot Gods eer en tegelijkertijd daarmee in hoogste mate functioneel te zijn voor het heil van de wereld." Zwaartekracht Een vicieuze cirkel dus. Maar wat is dan het probleem? De kern daarvan ligt volgens Van Harskamp in een tweede uitleg van het begrip functie. Namelijk die, waarbij godsdienst en geloof door buitenstaanders - bijvoorbeeld (ongelovige) machtheb-
bers - doelbewust voor het karretje van de maatschappelijke stabiliteit worden gespannen. Godsdienst als middel om orde en rust in de samenleving te handhaven. Het zal duidelijk zijn dat de eerstbedoelde functies van geloof en godsdienst, net als de wet van de zwaartekracht, onmogehjk zijn op te heffen; zelfs niet door theologen. Een functieloze godsdienst - in de zin van een geloof zonder enige uitstrahng op het gelovige individu en zijn omgeving - is even onbestaanbaar als een zon zonder licht. (Ik heb overigens ook niet de indruk dat Van Harskamp nu precies daarvoor pleit) En voor de tweede soort blijft het oppassen geblazen. Maar dat weet een theoloog met enig historisch besef toch al eeuwen? Vanwaar dan toch die allergie? Atheïsme Wellicht is die een gevolg van het door Van Harskamp onvoldoende in elk geval te weinig expliciet - gemaakte onderscheid tussen twee sterk uiteenlopende vormen van sociale theorieën inzake de godsdienst. De ene is louter beschrijvend {descriptief Yi&Qt dat in het sociaal-wetenschappeHjk jargon): neemt waar, telt en meet, noteert, legt hypothetische verbanden, en doet vervolgens een poging tot verklaring van het waargenomen fenomeen; in dit geval is dat voor de godsdienstsocioloog 'de gelovige mens in groepsverband'. Niets of niemand wordt voor karretjes gespannen of wegverklaard. Met de eigenhjke geloofsinhoud laat de objectieve godsdienstsocioloog zich niet in; die zet hij tussen haakjes. Bij deze werkwijze - die wel als methodologisch atheïsme wordt aangeduid, al zou agnosticisme in dit verband cor-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1992
VU-Magazine | 484 Pagina's