VU Magazine 1992 - pagina 60
Les extremes se touchent; vanuit deze optiek zijn Watevinks religieuze en Regtiens marxistische psychologie inderdaad van hetzelfde laken een pak. ^^ H
Botsten uw opvattingen nooit met die van Waterink toen u, eenmaal gepromoveerd, tot zijn staf behoorde? "Hoe gek het ook khnkt, Waterink was bereid de grootst mogelijke ruimte te laten voor nieuwe ontwikkelingen. Dat bleek bijvoorbeeld toen ik een boek schreef over theorieën inzake psychologische tests. Met de inhoud daarvan was hij het totaal oneens, die was veel te positivistisch, paste niet in zijn straatje. Van de psychometrie had hij totaal geen kaas gegeten. Maar hij heeft me nooit iets in de weg gelegd om die richting uit te gaan. Dat getuigt van grootheid. Hij besefte dat zijn eigen visie b e perkt was en dat het niet goed was zijn Nachwuchs in dat keursHjf te dwingen. "Waterink wilde op een gegeven ogenblik, samen met mij, nog graag een modern boek over pedagogiek schrijven. Maar ik was al ruimschoots op weg naar een empirische, waardenvrije psychologie-opvatting. Ik had alleen daarom al grote moeite met pedagogiek; een normatief vak bij uitstek, van waaruit je min of meer voorschrijft hoe je mensen moet begeleiden tot volwassenheid, en dat dan ook nog eens vanuit Waterinks religieuze voorondersteUing. Grote twijfels had ik. En toen Waterink mij het eerste hoofdstuk in concept toestuurde met het verzoek om commentaar, heb ik forse kritiek geleverd. Zijn reactie was tekenend: 'Ik krijg', zei hij, 'de indruk dat deze onderneming door ons gezamenlijk niet tot een goed einde kan worden gebracht.' Mede door mijn kritiek is hij toen gaan twijfelen aan dit plan. Het boek is er nooit gekomen. Desondanks is de onderUnge verstandhouding tot het eind toe goed gebleven." De naam van Drenth lijkt onlosmakelijk verbonden met het - toen en nu - niet geheel onomstreden fenomeen van de 'psychologische test'. Hij is een vurig verdediger van de test als vruchtbaar instrument ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek en praktische psychologie. D e aanvankehjke kritiek op het testen kan hij zich evenwel indenken. ("Het was beginjaren zestig een puinhoop; ieder maakte z'n eigen test, vertaalde er een, of maakte een eigen variant. Dat ging allemaal intuïtief, zonder voorafgaand wetenschappelijk onderzoek.") Daarom zette hij zich tot het schrijven van een boek over verantwoord testgebruik. Irritatie over het
gebruik van intuïtief samengestelde tests, en het speculatief interpreteren daarvan, vormden zijn drijfveer. Vooral ook omdat tests met name worden toegepast op cruciale momenten in een mensenleven, bijvoorbeeld bij sollicitaties of het nemen van de beslissing of iemand moet worden opgenomen in een psychiatrische inrichting. ("Mijn gedrevenheid in dit opzicht werd versterkt door de maatschappelijke implicaties van testgebruik; wat doe je mensen aan?") Het boek, 'De psychologische test', werd een standaardwerk. Zijn positivistische instelling bracht hem onder meer in conflict met het pseudo-wetenschappelijke wereldje van de grafologie, de handschriftkunde. Verwonderlijk was die botsing niet. Grafologen worden immers eveneens ingeschakeld op beslissende momenten; bijvoorbeeld om een handgeschreven sollicitatiebrief te analyseren. Hij ontketende een - naar eigen zeggen - "ware kruistocht" tegen de onbewezen uitgangspunten van de grafologie, die eigenlijk in het verlengde lag van zijn streven naar verantwoord testgebruik: "Sommige tests uit de begintijd waren geen haar beter dan het werk van grafologen. Maar tests zijn voor verbetering vatbaar, terwijl onderzoek afdoende heeft aangetoond dat je uit iemands handschrift niet op een betrouwbare manier persoonlijkheidskenmerken kunt afleiden." Curieus is Drenths aanvaring in 1971 met Ton Regtien, vooral bekend als studentenleider uit de roerige jaren zestig, die op dat moment als bedrijfspsycholoog verbonden was aan de rijksuniversiteit Groningen. Regtien uitte zware kritiek op een onderzoek dat onder leiding van Drenth werd uitgevoerd naar ploegendienst, onder meer in de Oost-Groningse strokartonindustrie. Drenth zou, aldus Regtien, de directie in de kaart spelen door arbeiders alleen te vragen hoeveel loon ze daarvoor in ruil verlangden, en de nadelige sociale efiecten van ploegendienst buiten beschouwing laten. Drenth: "Wij deden toen een grootscheeps onderzoek naar ploegendienst en de gevolgen daarvan voor de werknemer. Daarin waren bijvoorbeeld ook de fysiologische en sociaal-psychologische effecten betrokken; de verstoring van het dag-nachtritme, noem maar op. Regtiens verwijt was dus niet terecht. Het ging hem eigenlijk om iets anders. Dat onderzoek was opgezet vanuit onze wetenschapsopvatting: zonder vooronderstellingen over wat wenselijk en niet wenselijk is proberen de relevante feiten op tafel te krijgen. Regtien en de zijnen vonden datje onderzoeksresultaten niet naar buiten mocht brengen als ook maar de geringste kans bestond dat een werkgever daar, ten koste van zijn werknemers, baat bij zou kunnen hebben. Wij waren volgens hem onverantwoord bezig. Hij vond dat je je als bedrijfspsycholoog diende te beperken tot onderwerpen die de arbeider in zijn klassenstrijd zouden steunen, en datje daar-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1992
VU-Magazine | 484 Pagina's