VU Magazine 1992 - pagina 59
^^Ik ben nu op een niveau in mijn wetenschappelijke ontwikkeling aanbeland, waarop het me teveel verdriet zou kosten afscheid te moeten nemen van al die dingen die ik óók interessant vind. ^^ reformeerde kring, zich had ontpopt tot 'ontzielde zielkunde', speelde het conflict tussen geloof en wetenschap natuurlijk een grote rol. Was dat niet ook de reden waarom Waterink psychologie bedreef en doceerde als een normatief vak? "Ongetwijfeld. In uw vaststelling zit ontzettend veel waars. Waterink v/as aan de V U overigens niet de enige die dat deed. De hele wijsbegeerte was er sterk van calvinisme doortrokken; het 'ik' dat al of niet naar God was toegewend. Uitgangspunt was niet de empirie, maar een religieus bepaald a priori. "Bij Waterink was dat uitgangspunt heel expliciet aanwezig, ook bij zijn concrete analyses bijvoorbeeld van het gedrag van kinderen en de conclusies die hij daaruit trok voor de pedagogische begeleiding daarvan. Wat ik Waterink moet nageven is, dat hij daar geen doekjes om wond. Hij heeft zijn aprioristische uitgangspunt op latere leeftijd ook heel duidelijk geformuleerd in zijn rede 'De mens als religieus wezen'. Die rede werd voor psychologen van de V U al snel verheven tot de maatstaf bij het evalueren van werk van anderen. "Het is het type psychologie waarvan ik lang geleden afstand heb genomen. Maar ik was een onmiskenbaar produkt van mijn gereformeerde opvoeding. En het is dus ook weer niet zo dat ik toen al grote reserves had tegen een religieus georiënteerde psychologie, ondanks mijn voorkeur voor een meer exacte, meer experimentele benadering. "Maar ik geef toe: het was een wat paradoxale, conflictueuze situatie. Ik vond dat je dingen moest bewijzen, experimenteel moest kunnen onderzoeken. Tegelijkertijd moest ik vanuit mijn achtergrond ten volle erkennen dat Waterink gelijk had; ook ik was ervan overtuigd dat de mens een religieus wezen is. Ik heb me achteraf wel eens afgevraagd hoe ik dat toen in 's hemelsnaam op één lijn heb kunnen brengen." H
Het lijkt me een tweestrijd die kenmerkend is voor de traditionele discussie tussen geloof en wetenschap. "Klopt. Twee jaar geleden verscheen het boek
'De God van de filosofen en de God van Pascal' van de filosoof Theo de Boer - hij is mijn zwager, een broer van mijn vrouw. Daarin beschrijft hij de pogingen waarmee ook ik indertijd heb geprobeerd mijn geloof en mijn wetenschapsopvatting met elkaar in overeenstemming te brengen; pogingen om te bewijzen dat God bestaat en in alles de hand heeft. God wordt dan het criterium voor de vraag of je de goede of een onjuiste wijsbegeerte aanhangt. Maar die neiging om God tot een wetenschappelijke vooronderstelling te maken, leidt tot faliekante mislukkingen. Theo beschrijft prachtig hoe, logisch gezien, geen van de zogenaamde godsbewijzen houdbaar is, dat zo'n bewijs per definitie een onmogelijkheid is. Dat dit dus niet meer hoeft, betekent een bevrijding. Ik heb het zelf in mijn wetenschappelijke carrière destijds ook als een bevrijding ervaren. Daarom herken ik mijzelf ook zo goed in dit boek." I
Kunt u het tijdstip van die bevrijding nog traceren? "Ja, vrij exact. In '60 promoveerde ik op een onderzoek naar de vraag waarom mensen voor een carrière bij de marine kozen. Dat was een volstrekt empirisch onderzoek met 1600 respondenten, vragenlijsten, factoranalyses en alles wat er op dat moment aan statistische mogelijkheden voorhanden was. Verklaringen die je vindt gaan altijd maar voor een bepaald percentage op; de rest blijft onverklaard en moet je voor een deel aan toevalsfactoren toeschrijven. Maar om te zeggen dat dit toeval is, is natuurlijk een atheïstische opvatting; alles is immers in Gods hand? Een verwijzing naar God die het al bestiert, ontbrak dan ook niet in mijn proefschrift. Tijdens de promotieplechtigheid werd ik daarop aangevallen. Een van mijn opponenten - mijn latere collega H.R. Wijngaarden - zei: 'Die opmerking past niet in een wetenschappelijk betoog'. Ik repliceerde dat het toeschrijven aan het toeval daarin dan ook niet thuis hoort. Maar het heeft me wel aan het denken gezet; veel en veel meer dan Wijngaarden zich gerealiseerd heeft. Hij had absoluut gelijk. " Stilte. Peinzende blik. Dan, plotseling fel: "Toen ik een paar jaar later, voor een gezelschap van progressieve christenen, een lezing moest houden over de relatie geloof en psychologie, heb ik het standpunt verdedigd dat christelijke psychologie niet bestaat. In de discussie na afloop ben ik nog een stapje verder gegaan; ik heb de lijn doorgetrokken naar andere vakgebieden en gezegd dat, voor zover ik het kon overzien, christelijke wetenschap überhaupt een onmogelijkheid is. Iemand vroeg of ik daarbij geen onderscheid zou moeten maken tussen normatieve en niet-normatieve wetenschap. Toen heb ik gezegd: 'Er is maar één norm die in de wetenschap geldt, en dat is een analytische: iets moet logisch zijn, verdedigbaar, verifieerbaar.' Dat was de eerste keer dat ik dit voor mezelf en in het openbaar zo formuleerde. Ik schrok er zelf van."
13
v u MAGAZINE FEBRUARI 1 9 9 2
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1992
VU-Magazine | 484 Pagina's