VU Magazine 1992 - pagina 164
samengewerkt en die na de dood van De Vries diens taak in het C14laboratorium overnam, twijfelde aan de identificaties door Dijkstra. De botten waren stelselmatig te oud. De Waard vroeg zich af aan wiens groeve Koningin Juliana in Rijnsburg had gestaan. Volgens hem was het onwaarschijnlijk dat het die van haar voorouders geweest zou zijn. O o k de natuurkundige Mook had dergelijke bedenkingen. Hij kwam wel met een suggestie, gelanceerd in de rede die hij hield bij zijn aanstelHng als hoogleraar in Groningen. De problemen bij het dateren van skeletten konden misschien opgelost worden, door aan te nemen dat de overledenen grote viseters waren geweest. Organisch materiaal uit zee bevat van nature een lager C14-gehalte dan materiaal van het vasteland. Wie vandaag de dag een verse haring aan de C14-methode onderwerpt zal een ouderdom van eenjaar of tweehonderd meten. Als de graven van Holland veel vis hadden gegeten, dan zou dat de te hoge ouderdom van de C14-dateringen kunnen verklaren.
Grap Maar, zei Mook, die suggestie was min of meer bedoeld als grap. De twijfels aan het werk van Dijkstra bleven. Was Dijkstra dan een oplichter? Die vind je tenslotte ook onder wetenschappers. Maar zo lag het toch niet. De Waard en M o o k benadrukten beiden dat Dijkstra te goeder trouw was. Misschien was hij te enthousiast geweest, had hij te graag willen vinden wat hij zocht en had hij daarom de kritiek op zijn werk te gemakkelijk terzijde geschoven. Omdat onder de resten van de abdijkerk van Rijnsburg de sporen van een nog ouder kerkhof waren aangetroffen, dachten de beide natuurkundigen dat er van verwisseling sprake kon zijn. De Waard en Mook sloten kortom niet uit dat Koningin JuUana de verkeerde skeletten de laatste eer had bevi^ezen. Maar ze zeiden erbij, dat ze zich de laatste jaren niet meer met de graven van Holland hadden beziggehouden. Het kwam dus goed uit, dat ongeveer op het moment dat De Waard over de graven van Holland vertelde. Dijkstra een tweede boek over dat onderwerp had gepubliceerd. In ' Een stamboom in been' (uitge-
DE SITUATIE TIJDENS DE OPGRAVINGEN IN RIJNSBURG, GETEKEND DOOR ARCHEOLOOG W. GLASBERGEN. DERDE VAN LINKS MET NUMMER 92 ZOU HET SKELET VAN FLORIS V ZIJN; NUMMER 97, MET ONTBREKEND LINKERONDERBEEN, FLORIS IV.
geven bij D e Bataafsche Leeuw) doet Dijkstra, die ondertussen naar Zuid-Afrika was geƫmigreerd, verslag van het aanvullend onderzoek dat hij verrichtte. Hij brengt een aantal correcties aan, vermeldt nieuwe gegevens en gaat in op de C14dateringen. "Het bleek mij", schrijft Dijkstra, "dat van de kant van de C14-dateerders nog steeds twijfel bestond of in Rijnsburg wel werkeHjk de graven van Holland waren teruggevonden." En welke remedie biedt Dijkstra tegen die twijfel? Een visrijk dieet, de 'grap' uit de inaugurele rede van Mook.
Overstromingen Tussen zo ongeveer het jaar 800 en 1200, legt Dijkstra uit, maakte de aarde een warme periode door en steeg de zeespiegel. N u en dan richtte een extreem hoge vloed, ondanks de (nog primitieve) dijken, grote schade aan. De overstromingen kregen prachtig namen als Allerheihgenvloed en Marcellusvloed, maar de bewoners van het Kennemerland moesten zich redden op de daken van hun huizen en het water kwam tot aan de poorten van Utrecht waar de zeevis voor het opscheppen lag. Geen periode, redeneert Dijkstra,waarin vee en vlees ruim voorradig waren. En al zullen de graven van Holland beter hebben gegeten dan de gewone Middel-
eeuwer, ook in het grafeHjke dieet zal de zeevis hebben gedomineerd. In een bijlage achterin 'Een stamb o o m in been' komt de natuurkundige J . C . Vogel aan het woord. Deze Zuidafrikaan was van 1961 tot 1969 directeur van het Groninger C14-laboratorium en is nu verbonden aan de Wetenschappehjk Natuurkundige Navorsings Raad in Pretoria, een instantie die te vergehjken is met het Nederlandse T N O . "Het is nodig," schrijft Vogel, "de radiokoolstof-ouderdommen verkregen tussen 1957 en 1971, nog eens zorgvuldig te evalueren." Dat doet Vogel en hij concludeert dat voor enige skeletten, waaronder die van Floris V en Hadewig, abdis te Rijnsburg, de C14-datering in overeenstemming is te brengen met de historische gegevens over hun geboorte- en sterfdata. Voor een aantal andere skeletten blijven zijn twijfels bestaan; "Het is echter niet voor te stellen dat de twee oudste skeletten, zouden behoren tot een ouderdom die zou liggen na de bouw van de abdij omstreeks AD 1130; zij moeten behoren tot een oudere periode." Heeft Dijkstra dan toch geUjk, al is het maar ten dele? "Dat zou best kunnen," oordeelt J.N. Lanting van het biologisch Archeologisch Instituut van de Groninger Rijksuniversiteit. Lanting is een pre-histori-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1992
VU-Magazine | 484 Pagina's