VU Magazine 1992 - pagina 331
OORUITGANG meester betredend, de Ot-en-Siengeur van de interieurs opsnuivend, vi^anen zij zich even verdwaald in de knus-kneuterige eerste decennia van de twintigste eeuw. Deze lintbebouwing is pas later aan het museumdorp toegevoegd; de huisjes en andere gebouwen, waaronder ook een turfstrooisel- en een aardappelmeelfabriek, zijn zorgvuldig nagebouwde replica's van oorspronkelijke veenkoloniale behuizingen, of zijn in afgebroken staat vanuit andere veenkolonies aangevoerd en hier steen voor steen weer opgebouwd; de authenticiteit van hun inrichting - met oorspronkelijk huisraad uit de jaren twintig en dertig - steunt op het geheugen van het oudere deel van de lokale bevolking; de oude ambachten die hier worden uitgeoefend, eveneens. D e stroopsoldaatjes en ulevellen uit het snoepwinkeltje, het windgemalen meel uit de molen, de schroeilucht van het gloeiende ijzer op een paardehoef, de drabbige koffie met kandij in het dorpscafé, de schoolplaten van Jetzes en het klompenrek m het hoge schooUokaal; het is alles pure nostalgie. Een doorsteek naar 't Aole Compas - het oudste deel van het museumpark - dat achter het lintdorp tussen de bossages verscholen ligt, maakt echter korte metten met romantiek en nostalgie; hier vindt men in plaggenhutten en bouwvallige 'boeten' de tastbare resten van ten hemel schreiende armoede en dito leefomstandigheden van de eerste veenarbeiders uit de vorige eeuw. Krappe, vochtige, met stro gevulde bedsteden in muffe, donkere ruimten - de rokerige vuurplaats in het midden waarin kroostrijke gezinnen onder één dak verbleven met kip, konijn en (soms) een varken. Uit alle windstreken kwamen deze pioniers van het veen; de 'Hannoverianen' uit het voormalig koninkrijk dat nu Nedersaksen heet, het eerst. R u w volk moet het volgens overlevering geweest zijn; trekarbeiders die onder arbeidsomstandigheden leefden die de slavernij nauw naderden, er voor dag en dauw met veenhouw en haakschop op uit trokken en pas in de avondschemering terugkeerden om het op een zuipen te zetten, met niet zelden moord en doodslag als onontkoombaar gevolg. Wat wil je, met zover het oog reikt niets anders dan
water, turf en veen, en de naargeestige monotonie van één en dezelfde kleur bruin? O u d werd men er dan ook niet, zoals de eenvoudige smeedijzeren kruisen op het oorspronkelijke veenkerkhof de bezoeker vertellen; een kleine steekproef leert dat de gemiddelde levensverwachting bij de geboorte niet hoger moet zijn geweest dan 21 jaar. Hele tragedies zijn er op deze begraafplaats trouwens te reconstrueren; die van bijvoorbeeld een vader en zijn twee dochters (14 en 11 jaar oud), die bij het beladen van een turfschip om het leven kwamen. Ze konden niet zwemmen en verdronken alle drie - zo weet een toevallig aanwezige, bejaarde Barger Compascuumse ongevraagd te vertellen - toen de twee kinderen te water raakten en vader ze nasprong. Erg opwekkend is het niet. Dit in tegenstelling tot de onweerstaanbare geur van vers gebakken brood die, na enig speurwerk, afkomstig blijkt uit een originele, houtgestookte leemoven. De krentenbollen die de goedlachse bakker "veur vieftien stuvers" verkoopt smaken ouderwets lekker. "Daar kun j e 't leev'n wel bij houd'n", zegt hij, zich niet bewust van de navrante lading van deze zin na het droef relaas van zoeven. Waar in komvormig land het water niet weg kon, omdat de bodem ondoordringbaar was, waar afgestorven plantenresten zich ophoopten omdat het vocht de volledige verrotting ervan tegenhield, daar ontstond veen; levend veen dat groeide en groeide tot pakketten van twee tot soms v/el acht meter dikte. Levend veen is in Nederland nauwelijks nog te vinden, terwijl in een ver verleden onafzienbare stukken van het noordoostelijk deel ermee bedekt zijn geweest. Het veen in oosteUjk Drenthe maakte deel uit van het Boertangermoeras dat zich in het noorden tot Oost-Groningen, en oostwaarts tot diep in Duitsland uitstrekte. Onbewoonbaar gebied; Satansland zelfs, volgens de vroegste bewoners van de zandgronden rondom, tot wier sinistere verbeelding het luguber en naargeestig moeras sprak. Het weerhield ze niet om uit handels- en andere motieven (het winnen van ijzererts uit het moeras bijvoorbeeld) al sinds de pre-
historie zich wegen te willen banen door datzelfde veen; elke tien jaar opnieuw, omdat de houten, later ook met steen verharde veenwegen voortdurend werden overwoekerd door het naarstig groeiend veen. Restanten van die wegen zijn tijdens de ontginningen teruggevonden; de oudste stamt uit het Neolithicum en wordt gedateerd op 2150 voor onze jaartelling, de jongste is gelegd in de Middeleeuwen. Replica's van de verschillende typen veenwegen zijn te zien in het uitgestrekte hoogveengebied dat tot het veenpark behoort. Het treintje dat vroeger de gedroogde turf naar het kanaal transporteerde, waar de brandstof op turfschepen werd overgeladen, brengt de bezoekers naar die plek, waar ze bij het uitstappen de sensatie ondergaan van verende, zacht golvende veengrond onder de voeten. De w/andeling terug biedt een treffende indruk van het veen als een uniek en ongeschonden natuurgebied; een toevallige ontmoeting met de schaapskudde die de heidevegetatie vitaal moet houden, is niet uitgesloten. De route voert langs een verveningsmodel waar te zien is hoe de turf gestoken werd, geperst en gedroogd, en hoe, in betrekkelijk korte tijd, laag voor laag werd afgebroken wat de natuur in meer dan honderd eeuwen tijds bedachtzaam en secuur had opgebouwd. De turf verdween in kachels en industriële ovens. De trekarbeiders trokken daarna verder, bouwden elders h u n altijd eendere en armoedige plaggenhutten; nieuw veen gmg op de schop. Wat restte was schrale dalgrond waarop - ondanks de voorgespiegelde voorspoed en welvaart de eerste jaren met veel meer dan boekweit groeien wilde. Welvaart heeft 'het bruine goud' Drenthe nooit gebracht, evenmin als de andere fossiele energiebronnen waarover de provincie bleek te beschikken nadat turf als brandstof had afgedaan. Achter de berkenbosjes op het allerlaatste stukje veen likken de olie- en gasboorinstallaties op het Schoonebekerveld met hun gretige tongen van vuur onophoudelijk langs de hemel. Nationaal Veenpark, Berkenrode 4, Barger Compascuum (gemeente Emmen), telefoon: (05913) 49631; geopend van 15 maart tot en met 31 oktober tussen 9.00 en 18.00 uur.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1992
VU-Magazine | 484 Pagina's