Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

VU Magazine 1993 - pagina 423

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VU Magazine 1993 - pagina 423

5 minuten leestijd

dachte ondraaglijk zijn. Niet voor niets ligt in dit vlak de belangrijkste legitimatie van hedendaagse levensbeschouwingen en vormen van spirituahteit besloten, die na het wegvallen van andere, inmiddels onhoudbaar gebleken 'functies' van godsdienst en geloof, overbleef. Wat zwart-wit geformuleerd wilde Versnel daarentegen het verschijnsel religiositeit juist beschouwen als een tijdelijk lapmiddel; een provisorische voorziening van de mens om - zolang deze de hem omringende werkelijkheid nog niet ten volle begreep - er de ogenschijnlijke mysteriën des levens mee te verklaren, maar dat nu toch definitief op het punt stond te verdwijnen. Na de Verlichting, en met de naderende vervolmaking van het menselijk vernuft, zal daaraan immers binnenkort geen behoefte meer zijn. Versnel wond er dan ook geen doekjes om, dat hij de toename van onkerkelijkheid en geloofsafval zag als een wat verlate overwinning van het rationele Verlichtingsdenken. In dat opzicht, zo kan men volhouden, betoonde Versnel zich een waarachtig gelovige. Een belangrijke conclusie uit een en ander kan zijn, dat Kuitert en Versnel tijdens deze discussie heel verschillende concepten van geloof en (de functie van) godsdienst hanteerden. Kuitert verdedigde zijn religieus concept als een "zoekontwerp" (de term die hij zelf aan zijn credo meegaf) dat wellicht enig soelaas, misschien zelfs troost, zou kunnen bieden voor de wreedheid en de absurditeit van het bestaan. Versnel hakte daar echter op in met voornamelijk het sterk verouderde beeld voor ogen van een godsdienst die, m heftige concurrentiestrijd met de wetenschap gewikkeld, de ultieme verklaring van mens & kosmos poogt te claimen.

Zo'n vergelijking is lang niet zo ongerijmd als ze lijkt. Geloof en kunst liggen, als overdrachtelijke, naar andere werkelijkheden verwijzende cultuuruitingen, op één lijn. Maar wat sommige rationalisten zich jegens het geloof veroorloven, veroorloven zij zich doorgaans niet jegens de kunst. Hoewel - vanwege de soms botsende pretenties de betrekkingen die de wetenschap met de kunst onderhoudt evenmin onproblematisch zijn, wordt de kunst in die kringen toch zelden met de hoogmoedige minachting bejegend als die welke de religie gewoonlijk ten deel valt. Zolang de godsdienst zich onthoudt van het maken van vroegere fouten, zoals het opbieden tegen de wetenschap in het claimen van de enig juiste verklaring van de werkelijkheid, lijkt de verhouding van geloof en spiritualiteit tot wetenschap sterk op die tussen kunst en wetenschap. Ook voor de regelen der kunst geldt dat zij zich aan een strikt wetenschappelijke normering (Is dat wel kunst? En zo ja, waarom?) onttrekken. Maar niemand haalt het, op straffe van spot en hoon, in zijn hoofd om op grond daarvan en plein public kunst als achterhaald, overbodig of illusoir af te doen.

Het vruchteloze van een aldus gevoerd debat - hoe vermakelijk zo'n titanenstrijd ook mag zijn voor een zich gedistantieerd opstellende toehoorder - is daarmee wel aangetoond. Als dit de wijze is waarop de confrontatie tussen geloof en wetenschap wordt aangegaan, dan zijn beide partners in feite snel uitgepraat. (En dan gaan we gemakshalve maar even voorbij aan het opmerkelijke feit dat Kuitert in discussie met de orthodoxie als advocaat van de objectieve wetenschap moet optreden, terwijl hij, bekvechtend met hele en halve atheïsten als Versnel, genoodzaakt is zijn eigen geloof tegen diezelfde wetenschap te verdedigen.) Enerzijds is een geloof dat zichzelf op absolutistische wijze afsluit voor wetenschappelijke kritiek inzake inconsistenties en inconsequenties in de eigen leer, geen zinnige en geloofwaardige gesprekspartner; een wetenschap echter, die onkritisch staat ten opzichte van de grenzen aan de eigen rationaliteit en die daardoor doorslaat naar de andere kant van de fundamentalistische weegschaal, is dat echter ook niet.

Zo bezien kan bijvoorbeeld 'Het algemeen betwijfeld christelijk geloof' wellicht nog het best beschouwd worden als een persoonlijke liefdesverklaring van 'kunstkenner en -historicus' Kuitert, aan de bitterzoete schoonheid van het leven als een kunstwerk dat hem ontroert, bezielt en beweegt, en waarin hij - anders dan een in dit opzicht onmuzikale agnost als Versnel - de scheppende hand vermoedt van een verborgen opperwezen. Het zet de zaak eens even in een ander licht. Wat de vergelijking tussen geloof en kunst in dit verband bovendien duidelijk maakt, is het feit dat de subjectieve aard van de waardering die in geloof en kunst beide een belangrijke rol spelen, nog niet betekent dat het gelovig en kunstminnend volk uit louter egotrippers zou bestaan. Net als m het geloof is er, ondanks alle subjectivisme en individualisme, ook in de kunst sprake van een zekere, 'bovenpersoonlijke' consensus over wat houdbaar en waardevol is in het aanbod. Het neemt (gelukkig) niet weg dat de een kiest voor de wiskundige rechtlijnigheid van een Mondriaan, terwijl een ander de voorkeur geeft aan Rembrandts bijbellezende moeder. Het debat tussen geloof en wetenschap, zo luidt de m o raal van dit verhaal, is een ongelijke strijd; niet omdat een van de gesprekspartners al bijvoorbaat de ander in de knip zou hebben, maar simpelweg omdat daarin geen overwinning te behalen valt. Alleen al het streven naar een zege van de een op de ander, maakt zo'n debat tot een zinloze aangelegenheid. Een gewoon gesprek is, als gevolg van de verschillende talen die de deelnemers aan de discussie spreken, immers al moeilijk genoeg.

immmÊÊÊ^ÊÊ^ Regelen der kunst In het debat tussen Kuitert en Versnel, nam een ongeneeslijke scepticus een (ondanks alle orthodoxe aantijgingen) verstokte gelovige de biecht af en legde 's mans persoonlijke belijden op het procrustesbed van de wetenschappelijke methode. Het dédain waarmee dit gebeurde, en waarmee vanuit de wetenschap wel vaker elk religieus besef als achterhaalde kletskoek in de hoek wordt gezet, blijkt echter plotseling veel minder vanzelfsprekend wanneer, ter illustratie, 'het geloof' in dit verband eens vervangen zou worden door 'de kunst'.

O zeker! Ook over kunst valt - net als over geloof en godsdienst - v/etenschappelijk te praten, maar dan toch alleen in kunsthistorische of technische termen. Het oordeel 'kunst of geen kunst' onttrekt zich - net als het waarheidsgehalte van geloofsuitspraken - ten enen male aan een objectief-wetenschappelijke toetsing. Maar niemand zal willen beweren dat met deze constatering de kunst definitief haar bestaansrecht is ontnomen.

••••^••••B

Louter

egotrippers

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1993

VU-Magazine | 484 Pagina's

VU Magazine 1993 - pagina 423

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1993

VU-Magazine | 484 Pagina's