Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

VU Magazine 1993 - pagina 430

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VU Magazine 1993 - pagina 430

6 minuten leestijd

Prof. dr. N.A. Wilterdink: "Acli il< zou niet weten wat il< met een miljoen per jaar zou moeten doen."

om hun eigen inkomen naar eigen voorkeur te bepalen", zegt hij. Ze worden daarin noch door overheid en werknemers, noch door aandeelhouders gehinderd. Wilterdink maakt er geen geheim van niet enthousiast te zijn over de trends die hij signaleert. "Uit het oogpunt van sociale rechtvaardigheid is hij geneigd de ontwikkelingen af te keuren", zegt hij voorzichtig. "JVlaar het uitsluitend afmeten van feitelijke welstandsverhoudingen en veranderingen daarin aan bepaalde abstracte, tijdloze idealen van gelijkheid of rechtvaardigheid is weinig vruchtbaar."

32

met elkaar concurreren, hoe meer de verschillende bevolkingsgroepen van één staat op elkaar aangewezen zijn, des te groter de druk is tot democratisering en egalisering. Deze ontwikkeling vond haar hoogtepunt rondom de beide wereldoorlogen. Wilterdink in zijn rede: "Het totale karakter van deze oorlogen, de betrokkenheid van de hele bevolking bij zowel de oorlogsinspanningen als de oorlogsschade maakte de onderhnge afhankelijkheid van verschillende sociaal-economische klassen groter dan ooit." Deze onderhnge afhankelijkheid weerspiegelde zich in de instelling van het algemeen kiesrecht (aan het einde van de Eerste Wereldoorlog) en de opbouw van de verzorgingsstaat (na de Tweede Wereldoorlog). Er was tot diep in de jaren zestig b o vendien sprake van economische groei. Stijgende lonen en de uitbreiding van de sociale zekerheid konden samengaan met goede bedrijfswinsten. Belangentegenstellingen le-

VU MAGAZINE NOVEMBER 1993

ken zich in deze decennia niet voor te doen. "Koopt Nederlandse waar, dan helpen wij elkaar", was de leus. En dat klopte, want wat goed was voor Philips was inderdaad goed voor Eindhoven en wijde omstreken. Dat veranderde onder invloed van de economische crisis die zich vanaf het begin van de jaren zeventig - de oHecrisis! - begon af te tekenen. De kosten die Westerse ondernemingen maakten, bleven stijgen, de afzet Hep spaak. Veel ondernemingen kozen ervoor delen van hun produktie te verplaatsen naar landen waar arbeid minder kosten met zich meebracht. "Wat goed was voor Philips was niet langer goed voor Nederland", aldus Wilterdink. "Wat goed was voor Philips was inkrimping in Eindhoven en vestigingen openen in Singapore of Indonesië." "Het is deze verzwakking van nationale interdependenties ten gevolge van de versterking van interdependenties in internationale verbanden

die aan de recente vergroting van welstandsverschillen ten grondslag ligt", aldus Wilterdink in de wat plechtstatige taal die aan een inaugurele rede eigen is.

Uitkeringen De belangen van bedrijven en hun eigenaren Hepen, met andere woorden, niet langer parallel met die van de nationale economie. Dat bleek ook wel in de tweede helft van de jaren tachtig. De economie trok aan, maar ondernemingswinsten werden vooral gebruikt voor investeringen elders in de wereld. Intussen stagneerden de lonen en daalden de uitkeringen. Terwijl het bedrijfsleven internationaliseert, blijven overheden en vakbonden op nationale basis opereren. Het machtsevenwicht zoals dat tientallen jaren tussen deze partijen heeft bestaan, heeft plaats gemaakt voor afhankelijkheid van de twee laatsten ten opzichte van het bedrijfsleven.

Verschillende nationale overheden concurreren om de gunsten van ondernemingen. En naarmate meer werknemers in meer landen om dezelfde banen concurreren, wordt de neerwaartse druk op de lonen in de welvarende landen groter. Dat tegelijkertijd de inkomens van topmanagers zo geweldig stijgen, zou simpelweg verklaard kunnen worden uit de werking van de markt. Wellicht stelt de internationalisering hogere eisen aan het topmanagement van ondernemingen en welHcht is de vraag naar mensen die aan deze eisen kunnen voldoen groter dan het aanbod. Wilterdink verwerpt deze suggestie als "niet onzinnig, maar tekort schietend als verklaring." Het aanbod van hooggeschoolden is immers in de afgelopen decennia alleen maar gegroeid. Liever brengt Wilterdink ook de stijging van topinkomens in verband met machtsverhoudingen. Bestuurders van grote ondernemingen hebben "een aanzienlijke speelruimte

Minder voorzichtig is Wilterdink als hij uitlegt dat de extreem hoge inkomens van topmanagers "dysfunctioneel" dreigen te worden. Hij wijst op twee zaken. Allereerst ziet hij de noodzaak van inkomensmatiging alleen al vanwege het milieu. De aanvaarding daarvan door de bevolking zal worden ondermijnd, vreest hij, als een kleine elite kolossale bedragen blijft verdienen. "Het voorbeeld van die minderheid zal eerder stimuleren tot illegitieme handelingen om in de race om materiële voordelen mee te kunnen blijven doen, variërend van zwart werken tot kleine en grote criminaliteit, van uitkerings-, belasting- en subsidiefraude tot bedrijfsspionnage en ambtelijke corruptie." Ook voor de ondernemingen zelf ziet hij minder gunstige gevolgen. "Een vloed van bedrijfskundigen heeft de laatste jaren gepleit voor minder hiërarchische, plattere organisatiestructuren. Maar het lijkt niet erg waarschijnlijk dat een herverdeling van taken in deze richting de gewenste effecten zal hebben als de inkomensverschillen in de organisatie groot blijven en zelfs groeien." En de topmanagers zelf? Hoe functioneel is een hoog inkomen voor hen? Wilterdink: "Ach, ik zou niet weten wat ik met een miljoen per jaar zou moeten doen."

Fatalistisch Het gesprek waarin Wilterdink zijn rede toelicht, vindt plaats op Prinsjesdag. Uiteraard werd er die dag weer het nodige te berde gebracht over inkomensverhoudingen. Wilterdink beziet het met scepsis. "Als het kabinet plannen presenteert, wordt er altijd gezegd: 'Deze plannen betekenen dat de ene groep er

zoveel op achteruit gaat, de andere groep zoveel, en dat de inkomensverhoudingen volgend jaar dus zo en zo liggen.' Maar het kabinet kan dat helemaal niet plannen, dat is een illusie, dat is niet waar. Met name de hogere inkomens worden op geen enkele manier politiek beheerst." Wilterdinks theorie laat sowieso weinig ruimte voor iUusies over de macht van de politiek. Hijzelf ligt niet wakker van dit inzicht. "Veel mensen vinden dat kennelijk nog een verrassende gedachte. Maar er wordt al tien jaar geroepen dat de samenleving niet maakbaar is - dat is zo langzamerhand een cliché geworden. Geconfronteerd met een analyse als de mijne kijkt men daar toch van op. Men heeft blijkbaar het gevoel dat de overheid toch ten minste de inkomensverhoudingen wel een beetje in de hand kan houden. Mijn visie als socioloog is, dat de politiek in hoge mate een afgeleide is van andere maatschappelijke krachten." Niet alleen de overheid staat nogal machteloos tegenover de denivelleringstrend. Eigenlijk valt er door niemand iets tegen te ondernemen. "Dat volgt uit de theorie, ja. Het ligt in de aard van de machtsverhoudingen besloten. Dat klinkt heel fatalistisch en deterministisch. Toch ben ik geneigd te zeggen dat er wel speelruimte is. Er kunnen zich onvoorspelbare ontwikkelingen voordoen. Er kan een politicus gaan optreden met een groot charisma, die plotseling heel populair wordt. Daardoor kunnen machtsverhoudingen veranderen. Voor zulke gebeurtenissen moet je ruimte laten in je theorie. Maar ze zijn niet vanuit de theorie zelf te verklaren ofte voorspeUen." Wilterdink lacht hartelijk als hem de vraag gesteld wordt of hij met zijn sociologische - theorie nu betere voorspellingen kan doen dan de economen van het Centraal Planbureau. "Dat zou ik niet durven zeggen", zegt hij vervolgens. "Deze theorie stelt in staat heel globale voorspellingen te doen. En die voorspellingen zullen altijd hypothetisch zijn. Lange-termijnontwikkelingen zijn op grond van deze theorie met een zekere graad van waarschijnlijkheid te voorspellen. Maar je kunt onmogelijk nauwkeurig voorspellen hoe de inkomensverhoudingen er over drie jaar uit zullen zien."

33 v u MAGAZINE NOVEMBER 1993

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1993

VU-Magazine | 484 Pagina's

VU Magazine 1993 - pagina 430

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1993

VU-Magazine | 484 Pagina's