VU Magazine 1993 - pagina 420
gisch geheten reacties op Kuiterts herziening van de christelijke dogmatiek, tot een omvang van nauwelijks tachtig pagina's beperkt kon blijven. ('Kuitert onder kritiek', uitgegeven door Buijten & Schipperheijn in samenwerking met het Centrum voor Reformatorische Wijsbegeerte te Utrecht, f 14,95.) De vier bijdragen laten andermaal zien dat er noch in de kern van de orthodoxe kritiek op Kuitert, noch in de toon waarop deze doorgaans gezet is, eigenlijk ooit iets is veranderd sinds deze door de rechtzinnigheid verfoeide theoloog het werkelijkheidsgehalte van bijvoorbeeld de bijbelse visie op de geologische tijdschaal voor de eerste maal voorzichtig relativeerde. Uiteraard is, volgens de kritici uit dit kamp. Kuiterts theologie "vrijzinnig" (een scheldwoord in die kring), die "de twijfel voedt door een groot deel van het christelijk erfgoed, inclusief de Bijbel, als 'verpakkingsmateriaal' weg te gooien". Als zodanig is het volgens dezen vooral een verhandeling tegen het geloof en de gelovigen.
^••^^•i^^
22 / . j MAGAZiME NOVEMBER 1993
Vermeend
onafhankelijk
Geen van de vier auteurs laat in deze bundel na te wijzen op de giftige bron waaraan dit kwaad ooit is ontsprongen: het is de "verintellectualisering van het geloof" die de "levende omgang met God" onmogelijk maakt. Of, wat minder 'bevindelijk' geformuleerd: Kuitert "leunt op moderne filosofieën en laat zich gezeggen door het vermeend 'onafhankelijk, geloofsvrij wetenschappelijk denken'." Kuitert, zo valt de derde in, geeft "de moderne, empirische wetenschapsbeoefening een te grote plaats", en doet dat nota bene in een "postmoderne tijd" waarin dit "wetenschapsverhaal" allang weer "achterhaald" blijkt. Wat rest, meent nummer vier tenslotte, "is een theologie naar streng-wetenschappelijke eis, die een redelijk alternatief moet bieden voor het geloof van de 'eenvoudige gelovigen'." (De goede verstaander zal opmerken dat 'redelijk' hier niet in de betekenis van 'billijk', maar afkeurend in die van 'verstandelijk', zo niet 'kil afstandelijk', gebruikt is.) Het "vermeend onafhankelijk, geloofsvrij wetenschappelijk denken" (kan het venijniger geformuleerd?) is de oorzaak van Kuiterts dwalingen en, in het verlengde daarvan, die van de teloorgang van het christelijk geloofsgoed. De aan zelfoverschatting lijdende, rationalistische wetenschap krijgt de schuld; dat is steeds opnieuw de kern van dit soort kritiek op een door Kuitert (en vanzelfsprekend door nog veel meer theologen) gepropageerde objectiefwetenschappelijke beoefening van de godgeleerdheid. In de immer weerkerende aanklacht, als zou het wetenschappelijk denken helemaal niet zo onafhankelijk en geloofsvrij zijn als ze zelf beweert, kan de historisch onderlegde luisteraar de donderende bassen nog horen nadreunen van Abraham Kuyper die meer dan een eeuw geleden (in 'Het Calvinisme') al poneerde: "Het conflict tussen geloof en wetenschap bestaat niet. Alle wetenschap gaat uit van één of ander geloof. Ieder wetenschap veronderstelt geloof, bijvoorbeeld in ons zelf, in de zuivere werking van onze zintuigen en ons verstand en veronderstelt bovenal geloof in de beginselen waarvan men uitgaat. (...) Niet geloof en wetenschap staan dus tegenover elkaar, maar twee wetenschappelijke stelsels die elk berusten op een eigen geloof." Er valt veel voor te zeggen om Kuyper in zoverre gelijk te geven, dat het negentiende-eeuwse wetenschappelijke
denken waartegen hij in zijn tijd van leer trok, inderdaad lang met vrij was van levensbeschouwelijke trekken en veronderstellingen. Maar dit kan uiteraard geen reden zijn om het hedendaagse streven in de wetenschap naar redelijkheid, verifieerbaarheid en objectiviteit, van tafel te schuiven als 'ook een vorm van geloven'; zelfs niet in de (universitaire) theologiebeoefening. Aan de andere kant geeft dit citaat goed weer dat voor Kuyper het geloof gewoon een bijzondere vorm van zeker weten was, die weinig of geen twijfel toeliet. Een twijfel die voor Kuitert juist uiterst essentieel blijkt te zijn, en onlosmakelijk met de diepste zin van het menselijk geloven - dat hachelijk dient te zijn - verbonden is. Het is, in het licht van de orthodoxe aanklacht tegen het rationalisme, daarom frappant dat het theologische denken in de orthodox-reformatorische hoek - gebaseerd als het is op een 'geloven op gezag', gevoed vanuit de zogeheten Scholastiek, en sterk op redeneren gebaseerd - zelf ook een geducht rationele inslag heeft, zoals een van Kuiterts orthodoxe kritici eerlijkheidshalve moet toegeven. De pot verwijt zo dus de ketel... En strikt genomen vindt er - op dit deel van het slagveld althans - dan ook geen botsing tussen geloven en weten plaats. Veeleer wordt de ene zekerheid - die namelijk, dat de aarde in zeven dagen geschapen, en de bijbel van a tot z Gods woord is - uitgespeeld tegen de andere: het in wetenschapsfilosofisch opzicht onweerlegbare feit dat er over geopenbaarde werkelijkheden niets met wetenschappelijke zekerheid te zeggen valt, en dat de mens derhalve ertoe veroordeeld is om tussen geloof en twijfel een eigen weg te zoeken.
•••^••^••i
Tragisch achterhoedegevecht
Zo'n botsing tussen geloof en wetenschap vond echter weldegelijk plaats in juni '92 in de Amsterdamse Westerkerk, toen Kuitert voor een debat over zijn boek m het strijdperk trad tegen de Leidse hoogleraar oude geschiedenis, dr. H.S. Versnel. Eerlijk, verfrissend, anti-modieus en in mensentaal geschreven, zo waardeerde ex-gelovige Versnel Kuiterts boek dat hij, naar eigen zeggen, na lezing had gesloten met de gedachte: "die Kuitert, ik ken hem niet, maar hij moet deugen". Maar deze sympathiserende kwalificaties bleken tijdens de confrontatie slechts het aanloopje tot een meedogenloze woordenstrijd waarin Versnel geen spaan heel liet van Kuiterts algemeen betwijfelde geloof. (De discussie staat, compleet met in- en uitleidingen, volledig te boek m 'Het kan nog erger' dat door Ten Have in Baarn is uitgegeven en f29,50 kost.) Volgens Versnel komt Kuiterts herziene dogmatiek ("een boeiend, sympathiek en zelfs ontroerend want diep tragisch achterhoedegevecht") veel te laat, omdat voor zoiets ouderwets als een boek over God en het geloofde tijd voorgoed voorbij is. Bovendien gaan Kuiterts rationaliseringen van deze onderwerpen lang niet ver genoeg. Kuitert, aldus Versnel, loopt daardoor "tegen de logische lamp". Want wie 'a' zegt door ratio en empirie m de theologie als toetsingscriteria binnen te halen, en na toetsing grote delen van het geloofsgoed als 'niet langer houdbaar' terzijde schuift, moet ook 'b' zeggen door diezelfde wetenschappelijke maatstaven ook los te laten op de geloofselementen die hij nog wel wil behouden. En dat doet Kuitert niet, aldus Versnel; een ernstige tekortkoming die inconsistenties en inconsequenties tot gevolg heeft.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1993
VU-Magazine | 484 Pagina's