VU Magazine 1993 - pagina 359
Op vele plaatsen de bodem op zijn kop worden gezet. Voor Groenendijk vormde dit een archeologisch buitenkansje. "Tot dusver", zegt hij, "was de cultuurhistorie van dit gebied voornamelijk bepaald door wat er aan de oppervlakte te zien viel. Kronkelende beekjes, aardige dorpjes, monumentale panden. Aan de archeologie was nog niet eens gedacht." Groenendijk, inmiddels provinciaal archeoloog bij de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek, kreeg dus de kans om een omvangrijke witte plek op de archeologische kaart in te vullen. Zoiets is in ons land vrij zeldzaam. Groenendijk: "In Nederland is er op deze schaal, zeker uit de midden-steentijd, nog maar heel weinig onderzoek verricht. Ik had de factor tijd mee; tien jaar lang heb ik kunnen werken. Daarnaast had ik het voordeel dat door die reconstructie veel plaatsen kwamen bloot te liggen. Bovendien had ik de beschikking over een groot gebied, een eenheid met dezelfde landschappelijke ontwikkeling. De omstandigheden waren dus ideaal en daarom durf ik nu van een groot gebied dingen te beweren die je vaak alleen op veel kleinere schaal waarneemt." Iets wat de archeoloog nu met een grote stelligheid durft te beweren, is dat de Veenkoloniën tussen 8000 en
iit?
Vierkante gaten, vijftig bij vijftig centimeter, die laagje voor laagje worden uitgediept. Het zand gaat door een zeef en wat daarin aciiterblijft is vast en zeker van oeroude menselijke komaf
Mark Traa
In Oost-Groningen was er leven voor de turf. Een provinciaal archeoloog op zoek naar het verre verleden van de vlakke veenkoloniën en het pittoreske Westerwolde. Hoe een veranderend landschap zijn oorspronkelijke bewoners verjaagde. v u MAGAZINE OKTOBER 1993
Eén blik door het raam is voldoende. "Het IS echt Veenkoloniënweer", zegt dr. Henny Groenendijk. Een dichte nevel hangt voor het huis van de archeoloog, boven een deel van het landschap dat hij tien jaar lang bestudeerde. O p een zonnige dag reikt het zicht kilometers ver; het gebied kent simpelweg geen glooiing van betekenis. "Ergens bij Nieuwe Pekela is een opduiking, een paar heuveltjes van een paar meter hoog. Die bultjes staan al bekend als de 'Pekeler B e r g e n " , zegt Groenendijk. Hij trekt de laarzen aan voor een middagje blubberen in een gebied ("Ik weet niet alleen waar elk slootje Ugt, ik weet ook waarom het er ligt") dat altijd als archeologisch oninteressant werd beschouwd. Met de dissertade waarop Groenendijk in juni dit jaar
het volmaakt vlakke landschap doorsnijdt. Het woord 'dijk' is echter veel te sterk voor een vrijwel onzichtbare plooi die je als fietser nauwelijks in de onderbenen zou voelen. Bovenop de heuvel belanden we bij de opgraving van een nederzetting uit de midden-steentijd. "Hier ligt het spul voor het oprapen!" roept Groenendijk en beent naar het natgeregende zandveldje waarin her en der is gegraven. Vierkante gaten, vijftig bij vijftig centimeter, die laagje voor laagje worden uitgediept. Het zand gaat door een zeef en wat daarin achterblijft is vast en zeker van oeroude menselijke komaf het dekzand is er door de wind neergelegd en bevat dus van nature geen keien.
Haardkuilen Alsof hij op zoek is naar een contactlens tuurt Groenendijk, een grote schop in de handen geklemd, over het kletsnatte zand. Geen pakklare handwerktuigen vandaag, na enig zoeken wel een flinterdun splintertje van een vuursteen. En er is een gat in de grond, bedekt met een vuilniszak. De grond is donker gekleurd, de plek afgegraven zodat een dwarsdoorsnede zichtbaar is. Een paar decimeter diep zien we een forse zv/arte vlek. Groenendijk legt uit dat het een restant van een haardkuil is, rond
ÜA1ÏN LANDSCHAP aan de Rijksuniversiteit Groningen promoveerde, lijkt het tegendeel bewezen. Het proefschrift van de Noordlarense archeoloog heet 'Landschapsontv/ikkeling en bewoning in het Herinrichtingsgebied Oost-Groningen, 8000 B C - 1000 AD'. Groenendijks werkterrein waren de Veenkoloniën en Westerwolde, twee aan elkaar grenzende maar uiterlijk totaal verschillende streken m het oosten van Groningen. In 1979 werd besloten dit gebied een grote opknapbeurt te geven. Door de herinrichting zou
6000 voor Christus bewoond zijn geweest. Het is de opvallendste conclusie uit zijn onderzoek. Tot dusver was aangenomen dat de befaamde turfstekers in de zeventiende eeuw de eersten waren die op enige schaal bezit namen van het gebied. Groenendijk vond resten van veel oudere menselijke bewoning op de 'zandkopjes', de heuvels in het oorspronkelijke landschap die te voorschijn kwamen nadat het veen was afgegraven. We zijn zo'n zandduin opgelopen, een glooiende helling die als een dijk
7000 voor Christus gegraven om voedsel boven te drogen ofte roosteren. Dikwijls zijn restjes houtskool, soms vuursteentjes, terug te vinden in de inmiddels met zand opgevulde kuilen. Daarvan kan de ouderdom bepaald worden. Zelf groef Groenendijk al eens zo'n schachtvormige haardkuil en stookte er een vuurtje in, net als zijn studie-objecten negen millennia eerder. "Als je de kuil maar smal en diep genoeg maakt, is het heel voordelig stoken. Er hoeft weinig brandstof bij en het blijft urenlang gloeiend heet." v u MAGAZINE 0KT08ER 1993
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1993
VU-Magazine | 484 Pagina's