VU Magazine 1993 - pagina 361
Met zwiepende ruitewissers vervolgt Groenendijk zijn weg door het lege landschap. O m de haverklap draait hij het portierraampje open en wijst iets aan: een heuvel, een riviertje, een beekdalletje. "Het heeft wel wat, hè?" zegt hij, "al wordt het verguisd en is het onbemind. Ik geef toe, het was wel even slikken toen ik hier voor het eerst kwam. Het regende nog erger dan nu. Maar nu..., die leegte hè? Die leegte. Ja, dit landschap heeft een heel eigen bekoring. Het is hier zo dunbevolkt. Tot aan de jaren dertig werd hier volop geëxperimenteerd met allerhande landbouwmethoden. Maar nu wordt het gezien als achtergesteld gebied. Je koopt hier een boerderij voor tachtigduizend gulden. Wacht, hier zie je pas goed die immense uitgestrektheid op je afkomen." Groenendijk draait wederom het raampje open en een frisse bries blaast de auto binnen. We zijn in de omgeving van het veendorp Kiel-Windeweer. Een kaarsrecht kanaal doorsnijdt het gehucht. Vanaf de zeventiende eeuv/ bloeide het gebied. De kanalen dienden voor afwatering en voor het vervoer van turf. Grotere plaatsen als Veendam en Stadskanaal hebben twee van zulke kanalen, waarlangs statige koopmanshuizen staan. " H e t is toch gek om te beseffen", zegt Groenendijk terwijl hij behendig over de smalle bruggetjes stuurt, "dat de mensen die hier drie eeuwen geleden begonnen met de ontginning van het veen, zeker acht meter b o ven onze hoofden liepen." Door afgraving en inklinking (samenpersing) van het veen ligt inmiddels vrijwel overal de grond bloot waarover de prehistorische Oostgroningers hebben gelopen. "We moeten er snel bij zijn om dat gebied in kaart te brengen", zegt Groenendijk. "Over tien, twintig jaar kan het misschien niet meer. Een boer zal altijd proberen de toppen van de zandheuvels af te ploegen. Voor hem is ongelijk land natuurlijk onvoordelig. De plaatsen waar het oude loop vlak tien jaar geleden onder het veen vandaan kwam, zijn nu al behoorlijk aangetast. Steeds waait er een stukje af, waardoor de ploeg de volgende keer weer wat dieper komt. In de tien jaar dat ik in het gebied werkte, heb ik die erosie met eigen ogen zien plaatsvinden. Bij onderzoek kiezen we dus de plekken uit die tegelijk
veelbelovend en bedreigd zijn. Want dat zijn de plekken die het snelst verdwijnen."
Planning We zijn in Westerwolde beland, het bosrijke gedeelte van Oost-Groningen dat zo veel meer in trek is bij toeristen dan de eentonige Veenkoloniën. Westerwolde is beslotener van karakter; kronkelv/eggetjes slingeren zich door een heuvelachtig landschap van het ene gehucht naar het andere. De verschillen in bewoningsgeschiedenis tussen de Veenkoloniën en Westerwolde vormden voor Henny Groenendijk een b e langrijk onderzoeksthema. In Westerwolde is geen onontgonnen archeologisch tijdvak dat onder het veen schuilgaat. Het gebied, dat ook wel klein-Drenthe wordt genoemd, telt een ratjetoe van talloze vondsten uit allerlei perioden. Doorgaans zijn ze minder goed bewaard dan die in de Veenkoloniën, omdat jongere vondsten de oudere hebben verstoord. Als de Veenkoloniën een archeologische speciaalzaak zijn, is Westerwolde een supermarkt. Niet ver van het Westerwoldse gehucht Smeerling staan we aan de oever van de Ruiten Aa. Het beekje kronkelt zich door een afwisselend landschap dat na Groenendijks uitleg het decor zou kunnen vormen voor de 'Aardkinderen'-romans van Jean M. Auel. Groenendijk legt uit dat we op een es staan; een stuk landbouwgrond waar in de midden-steentijd tot de late bronstijd intensief werd geleefd. " O m de vijf stappen doe je hier een vondst", zegt de archeoloog en wijst op het terrein ter grootte van een voetbalveld. Aan de overkant van het beekdal is het landschap duidelijk verhoogd: ook daar hebben nederzettingen gestaan. Er zijn volop resten te vinden. Groenendijk wijst op een statige eik, waaronder niet zo lang geleden een fraaie bronzen bijl werd gevonden. Zo herbergt de Oostgroningse b o dem nog vele schatten, die Groenendijk lang niet allemaal kan en wil o p graven. Aan de oever van de Ruiten Aa vond hij de resten van een prehistorisch bruggetje. Die vondst werd na inventarisatie toegedekt. "Opgraven is altijd kostbaar en arbeidsintensief. Dikwijls zeggen we: zand erover. Onze generatie archeologen hoeft niet alles op te lossen. Het is ook mijn taak als provinciaal archeo-
Henny Groenendijk bij het restant van een haardkull, rond 7000 voor Christus gegraven om voedsel boven te drogen ofte roosteren: "Schitterend. Schit-terend."
loog om interessante gebieden te bewaren, zodat daarmee rekening wordt gehouden bij de ruimtelijke planning. Gelukkig wordt er naar mij geluisterd, hoewel ik onderzoek van een nederzetting makkelijker kan verkopen dan een speurtocht naar wat losse voorwerpen - die overigens ook belangrijke gegevens kunnen opleveren. "Er wordt vaak over onze voorouders gezegd: die kenden het gebied waarin ze leefden, gingen nooit te ver. Ze overschreden nooit de draagkracht van het milieu. Dat is natuurlijk niet waar. Ze zuUen het zeker gedaan hebben. Maar de mensen die dat deden, zijn vervolgens in economisch opzicht mislukt. Terwijl wij tegenwoordig fouten kunnen herstellen, we kunnen de natuur geweld aandoen zonder dat we daarvan veel schade ondervinden. Heel West-Nederland is gebouwd op slappe grond. Maar het is niet te verwachten dat die heipalen ons nog ooit parten gaan spelen - dat het westen ontvolkt zal raken of zo. Dat is een verschil met vroeger. Destijds werden mensen meteen gestraft als ze de verkeerde wegen bewandelden."
v u MAGAZINE 0KT08ER 1993
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1993
VU-Magazine | 484 Pagina's