VU Magazine 1993 - pagina 347
ROMAÊiriEK r ONGEREPTE NATUUR Z oek het verschil, vraagt de rondleidster. We staan op het plein voor Paleis Het Loo en bekijken de volmaakt symmetrische architectuur van de gebouwen. Toch moet er een kleine afwijking van de symmetrie aanwezig zijn. Ik tuur en tuur, maar zie niets. "Dat raam daar, dat is dichtgemetseld", "roept een jongen in de groep, lichtjes opgewonden. "Heel goed", complimenteert de gids als een kleuterjuf, "daar is de kapel van het paleis ingericht." N u zie ik het ook en voel mij opgelucht. Gelukkig een vlekje op de volmaaktheid. Ik ben gekomen om de tuinen van Het Loo te bewonderen en er achter te komen waarin het zeventiendeeeuwse gevoel voor natuurschoon verschilt van het hedendaagse. Mijn nieuwsgierigheid is gewekt door het proefschrift van de kunsthistoricus Erik de Jong, 'Natuur en kunst' (Thoth, f54,50) over de Nederlandse tuin- en landschapsarchitectuur tussen 1650 en 1740. De tuinen van Het Loo zijn de enige vormen van die zeventiende-eeuwse tuinarchitectuur die nog 'in levende lijve' te bezichtigen zijn. Het verschil met het hedendaagse gevoel voor natuurschoon is niet moeilijk te ontdekken. Niet alleen het paleis maar ook de tuin kent een perfecte geometrische ordening. De tuin kun je moeiteloos dubbelvouwen. Onmiskenbaar is het landschap met behulp van mathematische principes geordend. En van dat soort perfectie is de moderne mens meestal niet meer zo gecharmeerd. Die geestdrift voor de mathematica was typerend voor de zeventiende eeuw, valt te lezen in het proefschrift van Erik de Jong. Wat dat betreft, stelt hij, bestond weinig onderscheid tussen de inrichting van polders als
de Beemster en de Watergraafsmeer en die van de grote en kleine tuinen. In alle gevallen werd met behulp van de mathematica zin en orde aan de natuur verleend. "Het oog vond welbehagen in deze ordening of het nu een polder, een tuin of een welbeplante laan door het landschap betrof." Van woeste natuur, zoveel is wel duidelijk, moest men in de zeventiende eeuw v/einig weten. En niet alleen in die tijd. Het grootste deel van de geschiedenis van de mensheid b o e zemde de natuur angst in. De mensen trokken zich terug in hun steden: eilandjes van cultuur m een wilde, vegetatieve omgeving. Wie zich buiten de stad begaf, liep het risico te verdwalen, weg te zinken in een moeras, of overvallen te worden door een roversbende. De natuur, dat was ook de droogteperiode, de hagelbui en de blikseminslag. Van de natuur viel veel te vrezen. De ongeordende natuur riep sterke gevoelens van weerzin op. Voor Constantijn Huygens waren woeste watervallen verschrikkelijk, afgronden noemde hij angstaanjagend en een bergpiek was in zijn ogen monsterlijk. Het cultuurlandschap van de Italiaanse tuin was daarentegen in zijn ogen een paradijs.
Roofdier Ook de tuinen van Het Loo moesten een soort paradijs verbeelden. Zo waren ze door koning Willem UI, die ze tegen het einde van de zeventiende eeuw heeft laten ontwerpen, tenminste bedoeld. Natuurlijk had Willem III zoals elke vorst te maken met de politieke en militaire strijd van alledag. Dat was de lelijke kant van het leven. Maar die strijd had een doel; uiteindelijk zou men na de vermoeienissen van alledag kunnen genieten
van de harmonie, de rust en overvloed van de tuin. De perfectie van de tuin was als het ware een voorafschaduwing van de ideale samenleving. Als een paradijs moet de zeventiende-eewse bezoeker de tuin inderdaad gezien hebben. O m er te komen, moest hij eerst een barre tocht door het golvende, zanderige landschap van de Veluwe maken. Wanneer de reiziger vermoeid en bestoft bij Het Loo aankwam, kon hij zich laven aan het beheerste natuurschoon van de tuinen. Een groter contrast tussen v/oeste en gecultiveerde natuur was nauwelijks denkbaar. Dat natuurschoon was duidelijk als uitdrukking van de vorstelijke almacht bedoeld. De vorst bezat het vermogen de natuur te temmen en aan zich te onderwerpen. "Hij is het", schrijft Erik de Jong over Willem III, "die de onontgonnen woeste natuur van de Veluwe cultiveerde en tot wasdom bracht, net zoals hij in de strijd met andere lage machten zijn politieke vijanden versloeg." In de tuin hoefje niet bang te zijn voor de oerkracht van de schuimende waterval die met bulderend lawaai alles met zich meesleurt en vernietigt. In plaats daarvan zie ik aan de zijkanten van de tuin twee cascades; watervalletjes die bijna timide naar beneden plenzen, van het ene plateautje naar het daaropvolgende. Zoals je in het duister een trap afloopt. Iets van de vorstelijke almacht maakt zich van mij meester als ik op het terras sta dat een tweetal meters boven de tuin verheven is. Vanaf dat terras is de hele tuin in één oogopslag zichtbaar. Die doorzichtigheid is mogelijk doordat alles in de tuin laag is, de talloze heggetjes zijn niet meer dan enkele decimeters hoog; geen hoge bomen of brede struiken die het uitzicht ook maar enigszins kunnen belemmeren.
37 v u MAGAZINE SEPTEMBER 1993
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1993
VU-Magazine | 484 Pagina's