Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

VU Magazine 1993 - pagina 409

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VU Magazine 1993 - pagina 409

5 minuten leestijd

geïnteresseerden in kunstmatige, zichzelf reproducerende en evoluerende systemen.

Onbegrijpelijk Sindsdien groeit de aandacht voor A-Life en daarmee het aantal conferenties dat erover wordt georganiseerd. In juli werd aan de Technische Universiteit Delft het eerste Nederlandse A-Life-congres gehouden. De Engelse ingenieur Inman Harvey, een promovendus van de 'Evolutionary Robotics Group' in Sussex, voorspelde er dat Life-robots, eenmaal geprogrammeerd met een paar gedragsregels en genetische capaciteiten, zich op voor mensen onnavolgbare manieren kunnen ontwikkelen. In de toekomst leggen wij ons lot in handen van onbegrijpelijke robots, stelde hij. Harvey illustreerde dit aan de hand van zijn eigen onderzoek met een robot die, voorzien van twee infraroodsensoren en zwenkwieltjes, naar het midden van een kamer leert lopen. In het begin begrijpt de robot mets van de opdracht om naar het midden van de kamer te lopen, wat ook blijkt: hij stuntelt aanvankelijk maar wat rond. Na afloop bekijkt Harvey desondanks wat de robot goed gedaan heeft, en selecteert hij de elementen die bij het creëren van een volgend brein van pas kunnen komen. Dat doet hij via genetische algoritmen: het desbetreffende brein (de flexibele verbindingen tussen sensoren en motortjes) van de robot wordt daarbij gecodeerd in 'genen'. Na een aantal generaties doet het robotje het steeds beter, tot het na een honderdtal generaties feilloos de weg naar het midden van de kamer weet te vinden. Hoewel de leerprincipes er door de programmeur zelf ingestopt zijn, begrijpen we toch niet goed hoe de robot weet wat hij weet. Zulke robots zijn een nieuwe verschijning. De tot nu toe door de mens gemaakte machines waren altijd volkomen begrijpelijk en dus voorspelbaar; je kon precies vertellen hoe ze werkten. Dat geldt ook voor de systemen uit de klassieke kunstmatige intelligentie, waar men alle componenten zorgvuldig van te voren construeert. Voor de evolutionaire robots geldt dat niet langer. O m ze te begrijpen zou een nieuwe wetenschap nodig zijn die de robots in hun werkomgeving bestudeert, of

een speciale robot-neurologie. Men kan, net als bij de mens, weliswaar meten wat voor stroompjes er in het robot-brein lopen, maar ondanks dat zijn de precieze functies van die stroompjes nog grotendeels onbekend. De mens kan blijkbaar meer maken dan hij kan begrijpen. Zouden dit soort robots in de praktijk gebruikt gaan worden, bijvoorbeeld om een vliegtuig te besturen of om er een in elkaar te zetten, dan is er geen garantie dat het altijd goed gaat. We begrijpen ze immers onvolledig. Voor Harvey zelf is die onbegrijpelijkheid geen probleem, mensen zijn tenslotte ook systemen die met een evolutionair ontwikkeld brein werken dat we zeer onvolledig begrijpen. Toch vertrouwen we mensen het besturen van een vliegtuig toe, ook zonder de waterdichte garantie dat het altijd goed gaat. De toepassingen van A-Life zijn vooralsnog beperkt. Voorstelbaar, aldus betrokkenen, zijn echter A-Lifeprogramma's waarmee bruggen, telefoonnetwerken of medicijnen worden ont^vorpen. Hierbij gaat het om structuren die zo complex zijn, dat het bijna onmogelijk is ze vanuit het niets te ontwerpen. In het geval van een telefoonnetwerk kan A-Lifeprogrammatuur al evoluerend de meest efficiënte verbindingen vinden. Wie een brug wil ontwerpen met het absolute minimum aan materiaal en kosten, moet exact weten welke krachten er op een bepaalde plek van de brug worden uitgeoefend. En A-Life kan helpen bij het ontwerpen van nieuwe molecuulstructuren voor betere medicijnen. Het in Zeist gevestigde onderzoekscentrum van automatiseringsbedrijf Cap Volmac werkt momenteel met A-Life-programma's die de betrouwbaarheid van kredietvragers beter kan beoordelen. In de Verenigde Staten werkt het M I T aan robots voor maan- of Mars-expedities en ook de Belgische Steels doet dit. Met name m defensiekringen is interesse èn geld voor onderzoek naar A-Life-robots. Het Dienstencentrum Automatisering van de Koninklijke Landmacht onderzocht de mogelijkheden van genetische algoritmes, onder andere voor het effectief toewijzen van radiofrequenties. En Peter van Lith, oprichter van Lithp Systems BV, maakt interactieve robots voor pretparken. A-Life-wetenschappers lijken zich

nog maar net ontworsteld te hebben aan het imago van fanatieke computerfreaks. In Newsweek (1991) stelt Langton dat hij bijna twintig jaar lang een roepende in de woestijn is geweest. N u komen zelfs economen en managers kijken naar zijn zelfevoluerende structuren (of robots) omdat het traditionele leidinggeven van bovenaf in bedrijven zo slecht lijkt te werken. De vraag is natuurlijk of je de Harvey- en MIT-robotjes 'leven' kunt noemen. Langton heeft daarop een simpel antwoord, waarbij hij de vraag vooral als een definitiekwestie afdoet. Mensen zijn machines, zo stelt hij. Het probleem is dat we niet weten 'waartoe machines in staat zijn of wat leven eigenlijk is. Biologen die leven definiëren, geven een lijst met 'behaviouristische' eigenschappen. Die eigenschappen kunnen allemaal in computers gestopt worden, alleen nog niet allemaal tegelijk in één computer. Tot nog toe is een essentieel verschil tussen A-Life en echt leven dat ALife nog een programmeur nodig heeft om te bepalen welke 'individuen' of eigenschappen verder mogen evolueren, met welk doel en hoeveel nakomelingen er zijn. In het echte leven is er een omgeving die veel complexere eisen stelt en beperkingen oplegt. De filosoof Maarten Coolen spreekt in zijn vorig jaar gepubliceerde boek, 'De machine voorbij', niet expliciet over A-Life. Hij veroordeelt de pretenties van kunstmatige intelligentie echter met argumenten die ook voor A-Life zouden kunnen gelden. Alles wat de mens maakt, dus ook een ALife-robot, is impliciet mede een afspiegeling van het zelfbeeld dat de mens heeft. D e mens omvat echter altijd meer dan zijn zelfbeeld is. Ergo: A-Life-robots zullen dus altijd onderdoen voor de mens. D e voorspelling dat kunstmatige leefvormen in de toekomst discussiëren over de rechten van biologische levens, zoals sommige wetenschappers voorspellen, moet voor Coolen klinkklare nonsens zijn. O o k Langton wil trouwens zo ver niet gaan. Maar de technologie van zelf-reproducerende robotjes zal in de toekomst voor ieder beschikbaar zijn. Misschien gaat dat nog honderd of duizend jaar duren. Maar dat is, meent hij, niet veel op de geologische tijdschaal. v u MAGAZINE NOVEMBER 1993

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1993

VU-Magazine | 484 Pagina's

VU Magazine 1993 - pagina 409

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1993

VU-Magazine | 484 Pagina's