Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

VU Magazine 1995 - pagina 467

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VU Magazine 1995 - pagina 467

4 minuten leestijd

ESSAY

Koos

NEUVEL

De in Oostenrijk geboren filosoof en fysicus Paul Feyerabend (1924-1994) was in alles een zwerver: in zijn uiterlijk en in zijn reislust, maar ook in zijn intellectuele activiteiten en zijn relaties met vrouwen kende hij geen rust. Hij kon zich aan niets en niemand binden. Pas aan het eind van zijn leven ontwikkelde hij enkele loyaliteiten. De rusteloze vond een eigen plek.

Een zwerver komt thuis T

oen ik hem zag was de link snel gelegd: een twintigste-eeuwse Diogenes. De oude Griekse filosoof was een man zonder - modern gezegd - vaste woon- of verblijfplaats; zijn huis was een ton en hijzelf een filosofische zwerver. En waarschijnlijk heeft geen andere intellectueel deze eeuw er zo als het prototype van een zwerver uitgezien als Paul Feyerabend. Diogenes en hij - zoveel leek zeker - moesten verwante zielen zijn. Ik wilde Feyerabend interviewen toen hij in 1992 in Nederland op bezoek was. Het enige portret dat ik van hem kende was een bijna twintig jaar oude foto. Hij bleek sterk veranderd: een gegroefd gelaat, een haardos die in geen tijden gekamd leek en aan alle kanten uitwaaierde, borstelige wenkbrauwen en het goedkoopste T-shirt dat ik ooit gezien had. Bovendien liep hij, bijna zoals het een zwerver betaamt, mank. Wie hem op straat tegenkwam, zou in de verleiding kunnen komen hem een aalmoes te geven. Maar een aalmoes zou ik hem toch niet echt willen geven. Die eerste aanblik verraadde namelijk ook iets anders: pretogen en levendige gebaren. Deze zwerver was duidelijk niet zielig, geen slachtoffer van prangende maatschappelijke omstandigheden. De armoede was vrijwillig gekozen, net zoals destijds bij Diogenes; die had geen principieel bezwaar tegen luxe en materieel comfort, maar wel als zoiets ten koste ging van zijn vrijheid en onafhankelijkheid. Dat, stelde ik mij voor, was bij Paul Feyerabend ook het geval. Hij verkoos het om niet alleen in zijn denkbeelden maar ook in zijn uiterlijk een buitenstaander te zijn. Weg met de etiquette en de goede smaak. Diogenes wilde niemands hielen likken. Zijn positie van buitenstaander gebruikte hij destijds om de machtigen der aarde te bespotten. Hij nam niet alleen de politieke, maar ook de intellectuele machthebbers van zijn tijd op de korrel. Plato definieerde de mens ooit als een tweevoetig wezen zonder veren. Daarmee oogstte hij applaus. Vervolgens palcte Diogenes een haan, rukte die de veren uit en riep: "Ziehier de mens van Plato." In de definitie van de mens werd derhalve later aan het bovenstaande nog WETENSCHAP,

CULTUUR

O)

een klein regeltje toegevoegd: "met afgeplatte nagels". NARREN

Wat Plato voor Diogenes betekende, was Karl Popper voor Feyerabend. Beide eerstgenoemden zijn 'grote' filosofen, bedenkers van universele regels en principes; de laatsten zijn 'kleine' filosofen, kwelgeesten die feilloos de zwakke plek in een redenering aanwijzen; die de uitzondering op de regel naar boven halen, een uitzondering die de regel niet bevestigt, maar logenstraft. Zij zijn de narren van de gevestigde orde, er wordt om hen gelachen en niemand neemt ze echt serieus, maar intussen spreken ze wel enkele ongemakkelijke waarheden uit. Voor Popper was het probleem hoe wetenschap van pseudo-wetenschap te onderscheiden. Welke kenmerken heeft 'echte' wetenschap? Het antwoord van Popper luidde: een theorie moet falsifieerbaar zijn, dat wil zeggen, mogelijkerwijs niet kloppen. Als alle feiten, hoe onderling tegenstrijdig ook, eenzelfde theorie bevestigen, deugt er iets niet met die theorie. Een goede wetenschapper moet daarom eigenlijk van tevoren al aangeven, bij welke feiten hij zijn theorie als gefalsifieerd beschouwt. Hij moet zelfs actief op zoek naar mogelijke weerleggingen van zijn eigen theorie. In zijn beroemde boek 'Against Method' (1975) liet Feyerabend zien dat het zo niet werkt. Voor een wetenschapper is het tegennatuurlijk om zelf naar weerleggingen van zijn theorie te zoeken, de pralctijk laat zien dat hij juist zijn uiterste best zal doen om zijn theorie bevestigd te krijgen. De universele regel van de falsifieerbaarheid blijkt zelden te zijn toegepast. En dat hoeft geen slechte wetenschap op te leveren, integendeel. Feyerabend demonstreert, onder andere aan het geval van Galileï, dat grote onderzoekers allerminst universele regels toepassen. Elke wetenschappelijke vooruitgang komt tot stand door een overtreding van de norm. Elke vernieuwing is een daad van non-conformisme. Voor Feyerabend zijn de bedenkers van universele reSAMENLEVING - OKTOBER 41

I99i

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1995

VU-Magazine | 588 Pagina's

VU Magazine 1995 - pagina 467

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1995

VU-Magazine | 588 Pagina's