VU Magazine 1995 - pagina 124
ontsprongen aan eenzelfde patroon dat is weer te geven met een simpel nonsenswoord. We huilen, we razen, we eisen dat de aarde stopt met draaien omdat zij niet langer wordt opgeluisterd door iemand die voor ons uniek en onvervangbaar was. En toch blijkt verdriet zo stereotiep. Wetenschappers die menselijke denkprocessen en gedragingen bestuderen, hebben veel van dat soort stereotiepe, regelmatige patronen gevonden die wij mensen allemaal op zekere momenten doorlopen. Sommige van die reeksen laten aan duidelijkheid en logica niets te wensen over. Het is geen verrassing dat kinderen leren kruipen voordat ze h u n eerste stapjes zetten, en dat ze weer veel later pas kunnen rennen. Andere reeksen zijn subtieler. Volgelingen van Sigmund Fieud beweren dat een zich onder normale omstandigheden ontwikkelend kind onveranderlijk de overstap maal<:t van een zogenaamd oraal stadium, via een anaal stadium, naar een genitaal stadium. Deze leerlingen van Freud schrijven uiteenlopende psychologische stoornissen bij volwassenen toe aan een falen in het verleden bij de overgang tussen die stadia. Op soortgelijke wijze heeft de Zwitserse psycholoog Jean Piaget de verschillende stadia in de cognitieve ontwikkeling in kaart gebracht. Zijn ontdekking was dat een zo'n stadium wordt gemarkeerd door het moment waarop kinderen gaan begrijpen dat een object, bijvoorbeeld een stuk speelgoed, niet verdwijnt wanneer het zich buiten hun gezichtsveld bevindt, maar gewoon blijft bestaan. Na deze ontwikkelingsovergang weet het kind dat het speelgoed er is en zal het er naar zoeken als het niet te zien is. In weer een later stadium beginnen kinderen noties als het verband tussen vorm en inhoud te begrijpen; bijvoorbeeld dat twee kruiken met verschillende vormen toch dezelfde hoeveelheid water kunnen bevatten. Dergelijke ontwikkelingspatronen doen zich op eenzelfde wijze voor in sterk uiteenlopende culturen, zodat Piagets reeks een universeel patroon lijkt te beschrijven van de mens die een in cognitief opzicht complexe wereld moet leren begrijpen. De Amerikaanse psycholoog Lawrence Kohlbeig heeft de vaste stadia in de morele ontwikkeling van individuen in kaart gebracht. In een vroeg stadium in het leven worden morele beslissingen gebaseerd op regels met als enige motivering straf te vermijden; de voors en tegens van een daad wordt louter en alleen afgewogen op de gevolgen ervan voor de dader zelf. Pas in een later stadium worden beslissingen ook gebaseerd op sociale gronden: daden worden afgewogen naar de gevolgen ervan voor anderen en de gemeenschap. Een stap verder ligt het stadium, dat ook lang niet door iedereen wordt bereikt, waarin mensen een moreel besef ontwikkelen, dat wordt gestuurd door een verzameling criteria die ze zich hebben eigen gemaalct, en die gebaseerd is op een universeler idee over wat goed en slecht is. Ook moreel besef is dus iets dat zich stap voor stap ontwikkelt: iemand die nu op basis van zijn eigen geweten handelt, heeft ooit in een eerder stadium van zijn leven ook gedacht dat je slechte dingen alleen maar nalaat uit angst betrapt te worden. WETENSCHAP,
CULTUUR
De Amerikaanse psychoanalyticus Erik Erikson heeft een volgorde onderscheiden in de psychosociale ontwikkeling, die hij opvat als een serie crises die een persoon in ellc stadium al dan niet oplost. Voor baby's gaat het om het krijgen van een zekere vertrouwensrelatie met de hen omringende wereld; voor pubers gaat het om identiteit versus identiteitsverwarring; voor jonge mensen om intimiteit versus isolatie; voor volwassenen om produktiviteit en groei versus stagnatie; en voor ouderen om vreedzame aanvaarding en vervulling versus wanhoop. Eriksons baanbrekende inzicht dat de ouderdom een gefaseerde reeks overgangen omvat die met succes moeten worden afgesloten, kreeg een aardige illustratie in de grap van geriater Walter M. Bortz II van Stanford University. Toen hem werd gevraagd of hij een middel zou willen vinden tegen het ouder worden, luidde zijn antwoord: "Nee, ik ben niet geïnteresseerd in ontwikkelingsstagnatie." In ieder geval is duidelijk dat, volgens de wetenschap althans, ons leven zich via geijkte patronen voltrekt. Ik denk dat de theorieën daaromtrent in veel gevallen legitiem zijn, en niet slechts kunstmatige structuren die wetenschappers aan een vormeloze werkelijkheid opleggen. Maar waarom zouden we zullce patronen eigenlijk gemeen hebben? Zeker niet vanwege een gebrek aan alternatieven. Als levende wezens zijn we complexe, georganiseerde systemen; draaikoU<jes in de willekeurige wanorde van het heelal. Als al de mogelijkheden in aanmerking worden genomen, is het uiterst onwaarschijnlijk dat elementen samenklonteren tot moleculen, dat moleculen cellen vormen, en dat enorme opeenhopingen van cellen tot mensen leiden. Hoe onwaarschijnlijk moet het dan wel niet zijn dat zuUce complexe organismen zich aan relatief eenvoudige gedrags-, ontwikkelings- en denkpatronen houden? HOKJES
Eén manier om zicht te krijgen op de eigenschappen van complexe systemen is via een onderdeel van de wiskunde dat gewijd is aan de studie van zogenaamde cellulaire automaten. De beste manier om de aard van dit soort analyse uit te leggen is met een voorbeeld. Stelt u zich een lange rij hokjes voor, sommige zwart en sommige wit, in een zeker patroon; een beginstadium. Eronder wordt uit die rij hokjes een tweede rij samengesteld. In een cellulaire automaat gaat dat als volgt: eUc hokje in de eerste rij wordt onderworpen aan een serie reproduktieregels. Eén regel kan bijvoorbeeld voorschrijven dat een zwart hokje in de eerste regel leidt tot een zwart hokje in de rij eronder, maar alleen als een van de twee aangrenzende hokjes ook zwart is. Er kunnen andere regels gelden voor een zwart hokje tussen twee witte of zwarte hokjes. Als de regels op eU< hokje in de eerste rij worden toegepast, ontstaat een tweede rij zwarte en witte hokjes. Daarna worden de regels weer toegepast op de hokjes in de tweede rij om een derde te maken, enzovoort. EU<;e rij is nu een soort metafoor geworden voor een
es) SAMENLEVING
- MAART
1995
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1995
VU-Magazine | 588 Pagina's