VU Magazine 1995 - pagina 413
superioriteitswaan. Het is niet moeilijk af te geven op het domme gepeupel. Hoe heviger de kritiek des te verhevener de critici lijken. Boon weet dit gevaar van eigendunk echter gemakkelijk te bezweren. Op het eerste gezicht lijken boontje en zijn vrienden weliswaar gelijkgezinden, maar dat is ten dele schijn. Zij bekritiseren elkaar herhaaldelijk, er is veel onenigheid en debat. Als bijvoorbeeld een gesprek over het surrealisme in de kunst wordt gevoerd, verdedigt één personage de surrealistische overdrijving als een probaat middel om de werkelijkheid bloot te leggen, de ander vindt een dergelijke overdrijving alleen maar schadelijk. Die personages - boontjes vrienden vertegenwoordigen onmiskenbaar de twijfel in boontje zelf. Die maal<;t duidelijk dat zijn personages - zoals de kantieke schoolmeester, mossieu colson van tministerrie, en de schilderes tippetotje - uiteindelijk niet echt bestaan. Zij zijn afsplitsingen van de schrijver. En het grappige is dat die personages daar zelf weer tegen protesteren, ze willen meer zijn dan zomaar een schim. Maar ze stellen hem wel in staat zijn eigen twijfels
bloot te leggen en elke zaak van diverse kanten te bekijken en zichzelf ongehinderd tegen te spreken en te bekritiseren. Boontje is helemaal niet zo zeker van zijn zaal<, de verkleining in zijn naam geeft al aan hoe hij over zichzelf denkt: een onbeduidend mannetje. BOERTIG
De twijfel krijgt gaandeweg het tweeluik steeds meer de overhand. Het laatste hoofdstuk van 'Zomer te Termuren' is getiteld: "Wij, enkelen, in een wereld van barbaren". Maar wie de enkeling is en wie de barbaar, is voor boontje allang niet duidelijk meer. "De streep is niet te trekken, nu eens is deze een enkeling en dan weer een andere - nu eens is de kleine enkeling een armzalig ventje, een boontje, en dan weer is het een geheel volk. Ja, nu eens behoort mijn vijand kramiek, tot een wereld van barbaren die op mij aanrukt en mij wil vertrappen alsof ik een rat ben - en dan weer is kramiek zelf de rat, en wordt hij door mij en de barbaren nagezeten. Aarzelend en twijfelend en onzeker is dit boek...want wie zeker van zijn stuk is, wie een man
van de daad is, wie weet wat zijn vrienden zijn en wat zijn uiteindelijke doel is, wie zeker van zijn stuk zijn doel verovert, dat is een barbaar." Boon wilde een kroniek van het leven zoals het leven is. De ogenschijnlijke vormeloosheid van het boek is in zekere zin een afspiegeling van de vormeloosheid van het alledaagse leven en chaos van een beschaving in verval. Die vormeloosheid en chaos leidt tot een verlies van elke zekerheid over de wijze waarop de wereld in elkaar zit. Het overzicht ontbreekt. Een kloek standpunt over 'de toestand van de wereld' is nauwelijks nog mogelijk. Boontje weet het ook allemaal niet zo precies. Uiteindelijk resteren hem en zijn vrienden slechts gevoelens van verscheurdheid en ontreddering. Die vormeloosheid en schijnbare chaos zit niet alleen in de inhoud en de opzet van het tweeluik, maar evenzeer in de stijl van het boek. Boon trok zich niets aan van officiële regels inzalce spelling en stijl. Hij schreef zijn eigen taal, een vlaamse taal die boertig, schunnig maar altijd geestig en opwekkend is, zelfs als in het boek een sfeer van algehele moedeloosheid hangt. In een fragment dat niet in het tweeluik zelf is terechtgekomen, maar dat wel door Jos Muyres wordt geciteerd, zegt de kantieke schoolmeester: "En ik mag nu alleen nog punten uitdelen als een jongen er in slaagt zijn schone levende taal de kop in te drukken, en er iets voor in de plaats te brengen dat kleur- geur- smaal<- en zouteloos is." De wat mij betreft belangrijkste charme van het tweeluik van Boon is dat er een taal in te lezen valt die allesbehalve steriel is. Deze boeken zijn niet evenwichtig, zorgvuldig gecomponeerd en uitgebalanceerd; ze denderen, zuchten en kreunen maar voort. Niemand die zo lichamelijk kan schrijven als Boon, zijn teksten lijken uit de oprispingen van middenrif en onderbuik voort te komen. Of die taal er een is zoals het leven zelf, zou ik niet durven beweren. Maar het is ongetwijfeld taal die uit haar voegen barst van het leven. Jos Muyres, De Kapellekensbaan groeit: over de ontstaansgeschiedenis van het tweeluik De Kapellekensbaan/ Zomer te Ter-Muren van Louis Paul Boon, Plantage, 1995.
WETENSCHAP,
CULTUUR
e)
SAMENLEVING -
43
SEPTEMBER
199$
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1995
VU-Magazine | 588 Pagina's