Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

VU Magazine 1995 - pagina 180

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VU Magazine 1995 - pagina 180

2 minuten leestijd

dat Gross en Levitt in hun tegenaanval op hen die de wetenschap wagen te bekritiseren, te veel verschillende zaleen op één hoop vegen. En in een wanhopige poging enige orde in de chaos te scheppen, krijgen al diegenen vervolgens het etiket 'academisch links' opgeplalct.

deze kritiek in de jaren zestig en met name bij de toen gangbare hippiecultuur. Zij ontwaren het vertraagde effect van wat ze omschrijven als wetenschapsvijandig, halfzacht gedoe, de hang naar Oosterse mystiek, het wantrouwen jegens de gevestigde orde en het verzet tegen de oorlog in Vietnam. Tegenwoordig echter, zo laten Gross en Levitt niet na te benadrukken, vormen diezelfde kinderen van de jaren zestig een linkse maffia die aan de universiteiten sleutelposities bekleedt. Ze missen iedere wetenschappelijke kennis van zaleen en zijn afgunstig op of voelen zich bedreigd door mensen die daar wèl over beschikken, wat hun afkeer van de wetenschap er alleen maar heviger op maakt. Het is eigenlijk een wonder dat de wetenschap überhaupt nog bestaat.

De verschillende soorten kritiek die de wetenschap te verduren krijgt, moeten strikt op hun eigen merites worden beoordeeld. En waar het gaat om de geschiedenis en filosofie van de wetenschap (de vakgebieden waarin ikzelf het best thuis ben), hebben de auteurs van 'Higher Superstition' het in ell< geval gewoon bij het verkeerde eind. De werkelijke achtergrond van de l<ritiek is, dat tot ongeveer dertig jaar geleden de geschiedschrijving van de wetenschap exclusief in handen was van gepensioneerde wetenschappers die hun arbeidzaam leven afsloten met het schrijven van hagiografieën over hun helden uit het verleden. Naarmate de historie van de wetenschap echter een meer en meer professionele aanpak begon te krijgen, groeide ook het besef dat sociale factoren er in de geschiedenis, ook in die van de wetenschap, wel degelijk toe doen. En zo werd het langzamerhand gewoonte te beweren dat zelfs kennis omtrent het privéleven van een wetenschapper voor een goed historisch begrip 's mans wetenschappelijke werk onontbeerlijk is. Gross en Levitt slaan de plank óók mis wanneer ze de stelling poneren dat wie zich van beeldspraak bedient, ophoudt met denken. Ze lijken volstrekt onbekend met de grote hoeveelheid diepzinnige gedachten die al aan de metafoor als fenomeen zijn gewijd - niet alleen door filosofen en taaU<undigen, maar onder anderen ook door natuurkundigen - en het toenemend besef dat beeldspraak geen overbodig hulpmiddel is. Het menselijk denken is niet alleen universeel, diepgravend maar ook noodzal<;elijkerwijs overdrachtelijk van aard. Een van de populairste metaforen in de evolutiebiologie van tegenwoordig is bijvoorbeeld die van de wapenwedloop. Organismen bestrijden elkaar ogenschijnlijk terwijl ze het eigen aanpassingsvermogen aanscherpen en perfectioneren. De prooi gaat sneller lopen, het roofdier ook; een schelp wordt dikker, tanden langer. Deze wapenwedloopmetafoor stamt al uit de derde druk van Darwins 'The Origin of Species', uit I86I, maar raalcte pas in zwang door een boek dat Julian Huxley net voor de Eerste Wereldoorlog publiceerde. Sindsdien is de metafoor niet meer weg te denken uit het evolutionistische gedachtengoed. Onlangs nog werd de Amerikaanse ornitholoog Nicholas B. Davies onderscheiden voor zijn analyse van de wapenwedloop tussen de koekoek en de vogels waarop het dier parasiteert. Hoe graag puristen in de fysica cultuur en natuur ook van elkaar willen scheiden, dit soort beeldspraale wérkt. Het voorbeeld illustreert hoe een 'culturele' metafoor het inzicht in de samenhang en het bundelend en voorspellend vermogen van de wetenschappen kan bevorderen.

DISKREDIET

Zowel aan de redeneertrant van Gross en Levitt, als aan hun conclusie schort echter het een en ander. Hun redenering lijkt me ronduit misleidend. Je kunt lang praten over de wetenschapshaters in de alfa-hoek, maar het kan Gross en Levitt toch niet ontgaan zijn dat enkele van de belangrijkste critici van de wetenschap uit de gelederen van de bètawetenschappen zelf komen. Zo citeren ze diverse malen (en met instemming nog wel!) de bekende geoloog en evolutionist Stephen Jay Gould. Maar hebben ze er eigenlijk wel bij stil gestaan, dat Gould een belangrijk pleitbezorger is van de opvatting dat wetenschap een culturele constructie is? Lees zijn boeken of zijn bijdragen aan dit blad er maar op na. En hoe kunnen Gross en Levitt, na enkele expliciete verwijzingen naar de discussies rond de bijvoorbeeld de sociobiologie, volhouden dat zuU<;e controverses "voor de meeste, zo niet alle, wetenschappers ruiken naar een diepgeworteld antiintellectimlisme?" Is de naam van de strengste criticus van de sociobiologie, de populaire geneticus en marxist Richard C. Lewontin hen onbekend? En geldt wellicht hetzelfde voor Lewontins kameraden, onder wie ook weer Gould, van de 'Science for the People-groep'? Weten Gross en Levitt niet dat Lewontin en Gould hun collega, de sociobioloog Edwaid O. Wilson, hebben beticht van seksisme, racisme en morele steun aan een ongebreidelde vorm van kapitalisme? Uiteraard zijn de auteurs van 'Higher Superstition' heel wel bekend met de opvattingen van dat soort geleerden. Gross en Levitt geven doelbewust een vertekend beeld om enerzijds de alfa's in diskrediet te brengen en anderzijds lastige vragen te vermijden over de oorzaak van het feit dat de wetenschap ook door serieuze bèta's wordt bekritiseerd. Terugkerend thema in hun boek is het verwijt dat de kritiek van de alfawetenschappers op de natuurwetenschappen voortvloeit uit hun onthutsend gebrek aan kennis over de exacte wetenschappen. Maar dat kan toch onmogelijk gelden voor doorgewinterde bèta's als Gould en Lewontin? Aangezien Gross en Levitt enkele van de belangrijkste progressieve wetenschapscritici negeren, mag de lezer zich afvragen hoe waardevol de getuigen zijn die ze wèl aan het woord laten. Ik ken de politieke overtuiging van al degenen die ze opvoeren niet. Maar ik weet wel dat velen onder wie ikzelf - die zich beschouwen als in politiek opzicht progressief, geenszins de behoefte gevoelen om de wetenschap bij het grof vuil te zetten. Probleem is gewoon WETENSCHAP,

CULTUUR

OLIFANTSHUID

Hoe moeten de wetenschap en haar beoefenaars nu reageren op de aanvallen van zogenaamd linkse academici? Een bewust gekozen onverschillige houding mag de beste tactiek lijken, maar de situatie is te gevaarlijk om geheel aan het toeval over te laten. Kijk bijvoorbeeld wat er in de &> SAMENLEVING

42

- APRIL

1995

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1995

VU-Magazine | 588 Pagina's

VU Magazine 1995 - pagina 180

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1995

VU-Magazine | 588 Pagina's