Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

VU Magazine 1995 - pagina 61

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VU Magazine 1995 - pagina 61

4 minuten leestijd

ESSAY

THIERRY

LENAIN

A P E S T R E E K OF SCHILDERKUNST? Kunnen schilderende chimpansees het ontstaan van de kunst helpen verklaren. Nee, zegt de Brusselse filosoof en kunsthistoricus Lenain in een polemische reactie op de beweringen van, onder anderen, Desmond Morris.

H

Al veel langer is bekend dat apen, en met name chimpansees, met zichtbaar plezier met een potlood op een stuk papier kunnen krabbelen. Van dit gegeven werd al eerder dankbaar gebruik gemaakt bij experimenteel onderzoek naar het waarnemings- en kenvermogen van chimpansees. Belangrijke ontdekkingen werden op die manier al in 1913 gedaan door Nadjeta Kohts, en later, in 1941, door Paul Schiller. Maar beide onderzoekers brachten de resultaten van hun onderzoek niet in verband met het verschijnsel kunst. Die eer komt Morris en Rensch toe. Ze kwamen, onafhankelijk van elkaar maar op hetzelfde moment, op dezelfde gedachte: wie weet zouden kunstzinnige experimenten met apen kunnen leiden tot een antwoord op de vraag naar de biologische oorsprong van de kunst. Van belang bij de opzet van hun experimenten was vooral de gedurfde stap van potloodkrabbels naar echt schilderwerk, dat in experimenteel werk met apen nooit eerder was toegepast. Desmond Morris, zelf ook een fervent kunstschilder, heeft later uitgelegd dat het plan voor een speurtocht naar de oorsprong van de kunst bij hem opkwam na een bezoek aan de grotten van Lascaux die, ook uit esthetische overwegingen, een onuitwisbare indruk op hem hadden gemaakt. De bedoeling was duidelijk: het vermogen van apen om grafische en zelfs schildertechnieken te gebruiken zou een uiterst opwindend alternatief voor archeologisch bewijsmateriaal kunnen opleveren; materiaal waarmee te verklaren zou zijn hoe, in de ontwikkeling van voormenselijke naar menselijke levensvormen, de kunst is ontstaan; het zou de wetenschap als het ware een unieke kans bieden om dat ontstaan van de kunst in levende lijve mee te maken.

et vermogen om kunst - dat wil zeggen: objecten met esthetische kwaüteiten - te creëren wordt traditioneel gezien als een van de meest kenmerkende eigenschappen van de mens. Vandaar het grote belang dat in de antropologie wordt gehecht aan de vraag naar de oorsprong van de kunst. Maar deze kwestie is aanzienlijk neteliger dan ze op het eerste gezicht lijkt, want biologen beweren op hun beurt dat ook sommige diersoorten tekenen vertonen van wat wellicht als 'artistiek gedrag' zou kunnen worden gezien. Volgens hen kan kunst beschouwd worden als een in wezen biologisch verschijnsel, waarvan de grondbeginselen reeds bij hogere diersoorten aanwezig zijn, en die zich later in de geschiedenis van de mens tot complexere vormen hebben ontwikkeld. En wie veronderstelt dat de kunst al bij sommige dieren in aanleg aanwezig is, kan niet langer van iets specifiek menselijks spreken; dan reiken de wortels ervan zo ver terug in de ontwikkeling van hogere levensvormen, dat de vraag naar de oorsprong van de kunst niet meer tot het domein van de antropologie behoort. Het zal duidelijk zijn dat de antropologische zienswijze en de evolutionaire theorie hier voldoende materiaal vinden om, onverzoenlijk als altijd, met elkaar de strijd aan te binden. De kwestie van de biologische wortels van kunst lijkt opeens weer heel actueel. In 1993 was dit het thema van de jaarlijkse bijeenkomst van de European Sociobiological Society. Veel aandacht ging daarbij uit naar de sociobiologische functies van menselijke kunstuitingen: wat zijn de evolutionaire voordelen van 'artistiek gedrag', is het een middel waarmee de menselijke soort zijn positie in de levensketen versterkt? De sociobiologie beweert dat ze een eind kan maken aan het conflict tussen antropologie en biologie, door de eerste bij de laatstgenoemde onder te brengen, zelfs als het gaat om kunst, dat cruciale strijdpunt.

Vanaf dat moment is de 'artistieke' aanleg van apen een bijna klassiek onderzoeksthema geworden in de experimentele primaat-psychologie en in wat nog het best te betitelen valt als de 'niet-menselijke esthetica'. Bovendien werd schilderen, onder invloed van de psychologie, ook een veelgebruikte therapie tegen de psychische schade die apen in gevangenschap kunnen oplopen. Recentelijk zijn zelfs schilderexperimenten gedaan met dolfijnen en olifanten, maar dit terzijde.

Een van de fascinerendste onderzoekingen naar kunst ooit vanuit biologisch perspectief verricht, stamt uit de jaren vijftig: de ontdekking - of uitvinding zo u wilt - van de aanleg voor schilderen bij apen, gedaan door Desmond Morris en Bernhard Renscb. WETENSCHAP,

CULTUUR

&) SAMENLEVING

59

- IANUARI/EEBRUARI

199^

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1995

VU-Magazine | 588 Pagina's

VU Magazine 1995 - pagina 61

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1995

VU-Magazine | 588 Pagina's