VU Magazine 1995 - pagina 32
daar echter van weerhouden door remmende stoffen die worden afgescheiden door eerder gevormde primordia en door het celweefsel van het koepelvormige deel van de groeitop. Alleen waar de concentratie van die remmende stoffen onder een bepaalde kritische grens komt, zou dan een primordium ontstaan. Een recentere variant van deze hypothese stelt dat het uiteinde van de groeitop en de oudere primordia stimulerende chemische stoffen afscheiden, die cellen aanzetten tot het produceren van een nieuw primordium.
precies worden voorspeld waar het volgende primordium gevormd zal worden. Biologen worden al meer dan honderd jaar gefascineerd door de regelmatige patronen waarin de bladeren gerangschikt zijn, bladstand of fyllotaxis genoemd. Die bladstand leidt er onder meer toe dat het bovenaanzicht van een plant vaak een kenmerkend bladmozaïek te zien geeft, veroorzaakt door het feit dat de bladeren zodanig gerangschikt zijn dat ze zo weinig mogelijk in eikaars schaduw hangen en gezamenlijk zo veel mogelijk licht opvangen. Hoe wordt bepaald waar nieuwe primordia ontstaan? Hoe het mechanisme ook mag werken, het kan niet uitsluitend actief zijn op de plaats van de aanvankelijke knobbel op de groeitop,- dan zouden de primordia immers op volkomen willekeurige plaatsen verschijnen. Er moet een soort stimuleringsmechanisme zijn dat op afstand werkt. Er moet een beheerste interactie plaatsvinden tussen cellen in verschillende delen van de groeitop, zodanig dat sommige daarvan wèl een primordium produceren en andere niet. De eerste hypothese die de primordiumvorming moest verklaren, werd in 1913 voorgesteld door de Nederlandse botanicus Jan C. Schoute. Volgens Schoute kunnen alle cellen in de top primordia produceren; de meeste worden WETENSCHAP,
CULTUUR
GROEIHORMONEN
Als zulke theorieën in wiskundige modellen op krachtige computers worden doorberekend, bootsen ze vaak heel nauwkeurig de patronen van primordiumvorming na, zoals die daadwerkelijk in de natuur plaatsvindt. Het grootste nadeel van de hypothesen is echter dat de chemische stoffen, op het bestaan waarvan ze zijn gebaseerd, nog nooit in onderzoek zijn aangetoond. Dat is overigens niet per se een doorslaggevend gebrek. Misschien moeten biochemici wel verfijndere waarnemingsmethoden ontwikkelen en gewoon beter zoeken. Bovendien hebben experimenten uitgewezen dat diverse bekende groeihor-
et) SAMENLEVING
30
- IANUARI/PEBRUARI
1995
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1995
VU-Magazine | 588 Pagina's