Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

VU Magazine 1995 - pagina 272

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VU Magazine 1995 - pagina 272

1 minuut leestijd

E

r wacht nog een continent vol leven op ontdekking, niet op aarde maar zo'n dertig tot zestig meter erboven. Daar wacht een rijke oogst voor natuurvorser die de hindernissen - de zwaartekracht, mieren, doornen, rotte boomstammen - weten te overwinnen." Hoewel de eerste onderzoekspogingen tussen de boomtoppen, de zogeheten 'kroonlaag', van de regenwouden nog maar twintig jaar geleden plaatsvonden, werd deze opmerking bijna tachtig jaar geleden al gemaal<t door bioloog en ontdekkingsreiziger William Beebe. Zeli weet ik weet nog precies hoe het was, die eerste dag in het regenwoud: de laaghangende bewolking en weelderige groei van bomen en planten die nauwelijks een straaltje zonlicht doorlieten, en me eindelijk deden beseffen wat Beebe destijds bedoelde. Elk stukje tak- en boomstamoppervlak bleek overdekt met mossen en bloeiende planten. Maar mijn ogen werden vooral in de richtingen van de boomtoppen getrokken. Ik wilde naar boven, weg uit de klamme stilte van de woudbodem. Een maand later ging mijn wens in vervulling in een laaglandbos in Costa Rica. De boom die ik koos was een hoge; zo een die uittorent boven alle bomen eromheen. Met een krachtige katapult schoten mijn medewerkers en ik een vislijn met een gewicht eraan over een tak op zo'n veertig meter hoogte. We bonden een nylon klimtouw aan de vislijn, trokken het touw over de tak en bevestigden één uiteinde aan de voet van de boom. Vervolgens begon ik, met een eenvoudige, op die van bergbeklimmers en grotonderzoekers gebaseerde klimtechniek, mijn eerste tropische regenwoudreus te beklimmen. Een klimgordel hield me min of meer verticaal, en met behulp van klimijzers die maar in één richting langs het touw bewogen, kon ik beurtelings met mijn voeten en mijn romp aan het touw hangend, als een spanrups omhoog kruipen. Vanaf zo'n tien meter hoogte kon ik mijn metgezellen en de lager gelegen bomen en struiken beneden, nog gemakkelijk zien. Weer twintig meter hoger kreeg ik het warmer; dat was voor een deel het gevolg van de kliminspanning, maar kwam ook door het feit dat het zonlicht op deze hoogte veel minder door het bladerdek wordt gefilterd. Ik hoorde de wind ruisen tussen de takken, een geluid dat je beneden in het woud maar zelden hoort. En ik aanschouwde met eigen ogen, dat de boombladeren niet kriskras door elkaar groeien, zoals het van de grond af gezien vaak lijkt, maar in een spiraalvormig patroon dat de boom in staat stelt een zo groot mogelijk bladoppervlak aan het zonlicht bloot te stellen. En plotseling besefte ik dat ik me in de kroonlaag bevond - het hoogste niveau van het tropisch regenwoud die een wereld op zichzelf vormt, met een eigen weersgesteldheid, eigen geuren, geluiden en vooral ook eigen levensvormen. Ver beneden me heerste de klamme duisternis van het woud, maar hier boven zag ik, terwijl ik langzaamaan het einde van het touw bereikte, vogels rondfladderen; ik zag fel gekleurde insekten en, zowaar, de blote hemel. Vanaf mijn hooggeplaatste positie kon ik kilometers ver uitzien over de kruinen van de woudreuzen, en ik begon te schreeuwen van opwinding; een reactie die vaker blijkt voor te komen bij mensen die de kroonlaag voor het eerst bereiken. Enigszins tot rust gekomen werd ik bestormd door vragen. Hoe overleven planten in deze omgeving? Waar halen ze voedingsstoffen en water vandaan, als ze niet in de aardbodem wortelen? Welke rol speWETENSCHAP,

CULTUUR

len de organismen van de kroonlaag in het alomvattende ecosysteem van het regenwoud? Er was geen leerboek dat antwoord kon geven op zulke vragen. Toen ik weer naar de benauwende duisternis afdaalde, wist ik dat ik snel weer terug zou zijn. ONBESCHREVEN

SOORTEN

Het ecosysteem van een regenwoud strekt zich in verticale richting uit van de diepste worteluiteinden, zo'n acht meter onder de grond, tot het bovenste bladerdak, circa honderd meter boven de aardbodem. Heel die tussengelegen ruimte zit boordevol leven en ondergaat voortdurend veranderingen. Maar de rijkste delen van dat systeem zitten bovenaan, in de kroonlaag. De kroonlaag neemt misschien wel vijftig procent van de soortenrijkdom in de biosfeer voor haar rekening, want er leven naar schatting duizenden nog onbeschreven dier- en plantesoorten. De consumptie van bladeren door insekten en apen in de kroonlaag is een essentieel stadium in de voedselkringloop. Het enorme oppervlak van de bladeren in de kroonlaag vergroot de opvang- en opslagmogelijkheden van voedingsstoffen uit de atmosfeer. De structuur van de kroonlaag heeft invloed op de windsnelheid, de vervuilingsconcentraties en de waterbalans van het gehele landschap, en beheerst in principe de hoeveelheid zonlicht, het weer en de temperatuur beneden in het woud. Toch hebben ecologen complexe ecosystemen als het regenwoud steeds louter en alleen vanaf de grond bezien en bestudeerd. De groeisnelheid van bomen schatten zij bijvoorbeeld door elk jaar de stamdoorsnee op schouderhoogte te bepalen en aan de hand daarvan de toename in houtvolume van jaar tot jaar te berekenen. De produktiviteit van wouden werd steeksproefsgewijs bepaald door monsters te nemen van bladafval in bepaalde gebieden, en deze gegevens te extrapoleren naar de rest van het woud. Ze inventariseerden de aanwezige organismen aan de hand van vangsten in valstrikken die op de bosgrond waren geplaatst. Biologen die de flora en fauna in de bomen wilden bestuderen, bepaalden zich tot soorten die ze van omgevallen bomen verzamelden. De kroonlaag zelf bleef zodoende buiten beschouwing; een onontdekte wereld. Geen wonder eigenlijk, want zelfs een minderheid van de bosecologen die wèl interesse hadden in de verkenning van de kroonlaag, kampte onvermijdelijk met het probleem van de toegankelijkheid. Totdat in het begin van de jaren zeventig een kleine kern van onderzoekers voor het eerst tot de boomkruinen doordrong en verslag deed van de daar aangetroffen organismen en hun wisselwerking. Deze resultaten veroorzaakten een fundamentele wijziging in de opvatting van wat een woud is. Allereerst moest uiteraard de toegankelijkheid van de kroonlaag worden vergroot. Om de totale hoeveelheid en de kringloop van voedingsstoffen in en rond volwassen douglassparren te bestuderen, pasten onderzoekers in Oregon in het begin van de jaren zeventig de technieken van bergbeklimmers en grotonderzoekers aan voor gebruik in bomen. Met die goedkope methoden werd boomklimmen voor zowel de klimmer als de boom een veilige aangelegenheid. Maar al snel werden deze kroonlaagbiologen vergeleken met een aan lianen slingerende Tarzan of Jane: &> SAMENLEVING - JUNI 30

1995

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1995

VU-Magazine | 588 Pagina's

VU Magazine 1995 - pagina 272

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1995

VU-Magazine | 588 Pagina's