VU Magazine 1995 - pagina 290
DE
UITSPRAAK
D.
PRINSEN
Taal (M/V) UITGEZOCHT een kunstmatig onderscheid tussen 'mannelijk' en 'vrouwelijk' in het leven •ntwoord over het geslacht van zelf- geroepen. IHiHiliBliüSW^ leeft nu nog voort in de Woordeniijst van de Nederlandse •%e naamwoorden vorige week betaai, e n j jp enkele punten aanvulling. ,:eslacht in grammaticale zin is een tvan de Nederlanöse wooraen^ van zelfstandig naamwoorden die 4et name geldt dit uiteraard voor^ •Welfde 'gedragen'. Het zijn deze onderscheid tussen mannelijk^ Vie 'mannelijk' of 'vrouwelijk' woorden horen bij de manneiij- weiijk, een onderscheid rij " gelijke klasse, maar zijn zelf Roorda in 1856 alj yf vrouwelijk
[ woordgeslacht (2)
G
ehoord bij Nova op tv: de letterkundige Nicolaas Matsier, geïnterviewd vanwege zijn nominatie voor de Libris Literatuurprijs, die de jury aanduidde met 'hij'. Behept met teveel taalgevoel om deze foutieve geslachtsaanduiding ongecorrigeerd te laten passeren, verbeterde hij zichzelf onmiddellijk en excuseerde zich vervolgens met de opmerking dat deze Libris-jury nu eenmaal uitsluitend uit mannen was samengesteld. Het argument deed me denken aan een collega - net als ik dagelijks met woord, zin en regel in de weer - die op papier onlangs naar het woord 'legermacht' terugverwees met behulp van een mannelijk bezittelijk voornaamwoord. Vriendelijk wees ik hem erop dat - feministische pogingen het tegendeel te bewijzen ten spijt - 'macht' blijkens de 'Woordenlijst der Nederlandse taal' als een bij voorkeur vrouwelijk woord te boek staat. In alle onschuld kwam hij, net als Matsier, met het argument dat hij 'zijn' gewoon toepasselijker vond omdat een leger (onzijdig, tussen twee haalqes!) doorgaans uit iongeheren bestaat. Zat de Nederlandse taal maar zo logisch in elkaar... In het Duits of het Frans is het, vooral dankzij een duidelijk onderscheid tussen het mannelijk lidwoord {der en Ie] en de vrouwelijke variant {die en la] relatief gemakkelijk het juiste woordgeslacht te onthouden. Gemakkelijker althans dan in het Nederlands dat in beide gevallen is aangewezen op 'de'. Sinds het wegvallen van de uitgangen die nog als uiterlijke geslachtskenmerken konden dienen, gaan de meeste woorden in onze landstaal uniseks gekleed. Niet alle. In tegenstelling tot het Engels, waar the als enige bepaald lidwoord is overgebleven, hanteert het Nederlands, behalve 'de' voor woorden van het mannelijke en het vrouwelijke geslacht, 'het' als lidwoord voor zelfstandig naamwoorden die als onzijdig staan geregistreerd. Afgezien van een enkele uitzondering (de of het omslag, deksel, katern?) die de regel alleen maar bevestigt, vormt het onderscheid tussen 'de' en 'het' voor de gemiddelde Nederlander geen enkel probleem. Hoewel deze keuze tussen 'de' en 'het' dus steeds goed afloopt, heeft een correct gevolg geven aan de consequenties van het woordgeslacht aanmerkelijk meer voeten in de aarde. Het onthouden van een betrekkelijk eenvoudige vuistregel (woorden waarvan de laatste lettergreep bijvoorWETENSCHAP,
CULTUUR
beeld -ing, -beid, of -teit luidt zijn vrouwelijk) is kennelijk teveel moeite. En zelfs de regel dat een woord, voorzien van het op onzijdigheid duidende lidwoord 'het', vergezeld dient te gaan van een mannelijk 'hem' en 'zijn', is er bij de spraakmal<:ende goegemeente niet in te rammen. "Het Kabinet en haar besluiten", is het klassieke voorbeeld van dit type taaiverkrachting, dat zo'n vijftien jaar geleden een ware 'haar-epidemie' inluidde. En zoals altijd gaan er dan stemmen op om dat als rimram bestempelde onderscheid in woordgeslacht maar helemaal overboord te zetten. Die franje berust immers toch maar op willekeur, in de wereld geholpen door een stel Grieken die het, vóór de christelijke jaartelling, nodig vonden woorden in te delen als waren het mannen of vrouwen. Zo'n onderscheid is volstrekt kunstmatig, benadrukt de auteur van bovenstaand tekstfragment uit Het Parool. En hij wijst erop dat het eind vorge eeuw op autoritaire wijze werd bekrachtigd, alleen maar omdat een taai-elite het vervagen van geslachtsverschillen en het verdwijnen van de bijbehorende uitgangen als een teken van verval beschouwde. Het zij zo. Maar wat dan nog? Het feit dat Franse troepen destijds de Hollanders dwongen een achternaam te kiezen, maakt het voor mij niet minder irritant wanneer mijn, toen door een van mijn voorouders volstrekt willekeurig gekozen naam, foutief wordt gespeld. Het stelselmatig vergoelijken van apert foutief taalgebruik getuigt van eenzelfde soort nonchalance en gebrek aan historisch besef die op den duur een schadelijke uitwerking zullen hebben op zowel het taalgevoel als de eigen identiteit. Uiteraard heeft een volk - dat, heel symbolisch, van zijn moeder een taal, en van zijn vader een land krijgt - het volste recht een taal naar zijn hand te zetten, om deze naderhand, bijgeschaafd, aangevuld en ten dele vernieuwd, door te geven aan een volgend geslacht. En uiteindelijk berusten taaiconventies inderdaad op weinig meer dan toeval, willekeur, en elitaire ingrepen. Maar dat soort overwegingen lijkt me onvoldoende reden de taal als cultureel erfgoed te verkwanselen door haar uit populistische overwegingen, af te stemmen op het grammaticale, semantische en syntactische niveau van het domste kind (M/V) uit de klas.
&) SAMENLEVING
-
JUNI
199^
'iÊSSÊS*
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1995
VU-Magazine | 588 Pagina's