VU Magazine 1995 - pagina 340
gen verlieten het ouderlijk nest te vroeg en kwamen dan om door kou, voedselgebrek of iets dergelijks."
gingen zwerven, bleven alleen de rustige typen over. Later worden die laatsten wat meer agressief en ook dat klopt weer, want zodra ze een eigen plek vinden om te leven, moeten ze die ook weer kunnen verdedigen." Liggen er genetische verschillen ten grondslag aan het onderscheid tussen beide muizentypen, vroeg Van Oortmerssen zich vervolgens af. Bij het beantwoorden van die vraag kreeg hij te mal<en met de fysiologie als schakel tussen aanleg en gedrag. Testosteron, een hormoon dat een centrale rol speelt bij het in gang zetten van een agressieve reactie, bleek de sleutel. Rond de geboorte doet zich bij mannelijke muizen een piek voor in de produktie van het hormoon, zo is vastgesteld. Van Oortmerssen ontdekte dat de mannetjes die nog tijdens de geboorte aan zo'n piek werden blootgesteld, later gevoeliger bleken voor het hormoon dan de mannetjes bij wie de piek kort na de geboorte plaatsvond. Het eerste type had de neiging om in een dreigende situatie meteen maar van zich af te bijten, het andere type bleef passiever.
FATAAL
Het theoretische vermoeden dat vlak voor zo'n crisisperiode de agressie was toegenomen, werd in het laboratorium bevestigd. Van Oortmerssen plaatste dieren uit de kolonie in een kooi, tot ze die als hun territorium gingen beschouwen. Zette hij er vervolgens een andere muis bij, dan vielen de bevolking in de kooi deze veel sneller aan dan de gemiddelde muis dat zou doen. In de tuin waren door natuurlijke selectie agressievere muizen ontstaan. Dergelijke agressieve mannetjes verjagen al hun jongere concurrenten, ook wanneer ze zelf ouder en minder vruchtbaar worden en de kolonie bij gevolg met uitsterving wordt bedreigd. Die fatale ontwikkeling doet zich eveneens voor in de vrije natuur. Van Oortmerssen deed in het laboratorium een poging naar de andere kant te selecteren, in de richting dus van een agressieloze muis. Het lukte hem na langdurig krui-
GEBROM
Of een muis tijdens of juist even na de geboorte een testosteronpiek ontwikkelt, is volgens Van Oortmerssen een kwestie van genetische aanleg. Agressiviteit van muizen, met name van de mannelijke muizen bij wie die eigenschap het duidelijkst naar voren komt, is voor een belangrijk deel overgeërfd via het mannelijk chromosoom. Daarbij spelen de vrouwtjes een beslissende rol, omdat zij de drager kunnen zijn van een klein stukje mannelijk chromosoom, dat de informatie voor verhoogde agressiviteit kan bevatten. Zo kunnen vrouwtjes dus de overbrenger zijn van deze eigenschap zonder dat dit aan hun eigen gedrag valt af te lezen. Bovendien hebben vrouwtjes bij de voortplanting een voorkeur voor mannetjes met eigenschappen die de kans op een succesrijk nageslacht verhogen. Ze bepalen dat aan de hand van de geur van een mannetje: vechtersbazen ruiken anders dan vredelievender typen. En wat voor conclusies zijn hieruit te trekken voor de mens? Van Oortmerssen: "We hebben een dergelijk onderscheid gevonden bij ratten, apen, koolmezen en hagedissen, maar of het ook voor mensen geldt is niet onderzocht; ik kan er dus weinig over zeggen. Er wordt bij mensen wel onderscheid gemaakt tussen mensen van het A- en het Btypc; een verschil, zeg maar, tussen mensen die opvliegend en gehaast zijn, en degenen die overal rustig de tijd voor nemen. Het B-type heeft beduidend minder last van stress en aanverwante ziekten dan het A-type. Dat onderscheid doet er wel wat aan denken." Aan het eind van het gesprek wil Van Oortmerssen nog wel wat speculeren over het maatschappelijk belang van zijn onderzoek. "Als er verschillen in aanleg zijn en als er inderdaad twee typen mensen zijn met verschillende gedragsstrategieën, dan is kennis daarvan nuttig, bijvoorbeeld om een bij die aanleg passende opvoeding te vinden. Individuen met een sterke neiging tot agressiviteit kun je zo wellicht wat intomen. Maar waar leidt dergelijke kennis toe, wanneer we geen moraal weten te ontwikkelen om daarbij toe te passen? Of is dat gebrom van een weten.schapper die bijna aan zijn pensioen toe is?"
sen een vredelievend dier te selecteren, maar het volledig uitbannen van agressie bleek onmogelijk. Van Oortmerssen: "Blijkbaar zit in de genen een bescherming ingebouwd tegen het verlies van agressie. Helemaal zonder agressie kan uiteindelijk niemand." Er zijn volgens de bioloog twee typen te onderscheiden, de agressievelingen en de meer vredelievende muizen. Dat moet ook wel, want in de natuur komen beide gedragspatronen van pas. Een muis die zijn territorium in de eigen kolonie zoekt, heeft vooral een flinke dosis agressie nodig. Muizen echter die de kolonie ontvluchten en elders een bestaan willen opbouwen, hebben meer profijt van een wat afwachtender houding. "Wat ik in de muizentuin waarnam", aldus Van Oortmerssen, "past op deze theorie. Daar, waren de blijvers de agressievelingen. Van de muizen die WETENSCHAP,
CULTUUR
&> SAMENLEVING
46
- JULI/AUGUSTUS
199s
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1995
VU-Magazine | 588 Pagina's