VU Magazine 1995 - pagina 463
die reden interessant. De Utrechtse zoöloog Hubrecht dacht dat de gewervelde dieren afstamden van de Nemertini: de snoerwormen. Een in de lengterichting van het dier georiënteerd orgaan zou als de voorloper van de ruggegraat moeten worden opgevat. Anton Dohrn, stichter van het Zoölogisch Station in Napels, hield het, wat de voorlopers van die gewervelden betreft, echter op de gesegmenteerde borstelwormen,- wellicht omdat een wervelkolom ook uit segmenten is opgebouwd. Een ander gewild studie-onderwerp was de ontwikkeling van levensvormen: door de ontwikkeling van een volwassen organisme uit één enkele cel te bestuderen, hoopte men iets te leren over de ontwikkeling van meercellige diersoorten uit eencelligen. De glasmodellen van lagere dieren die door Leopold en Rudolf Blaschka werden vervaardigd in hun atelier in Dresden, vonden vanaf circa 1865 hun weg naar talrijke musea en onderwijsinstellingen. De glasmodellen hadden vooral een educatieve functie. Ze waren bij uitstek geschikt om het uiterlijk van de lagere dieren te tonen als een aanvulling op de gangbare vloeistofpreparaten - flessen met dieren in bijvoorbeeld alcohol of sterk water. Die waren voor wetenschappelijk onderzoek natuurlijk wel onmisbaar, omdat het echte dieren met organen waren. Het was echter wel een probleem ze zinvol te exposeren. Want de in vloeistoffen bewaarde kwallen en weekdieren hadden meestal kleur en vorm verloren en er moesten veelal tekeningen en diagrammen aan te pas komen om de anatomie van deze dieren duidelijk te malcen. Vergeleken met alcoholpotten en tekeningen waren glasmodellen juist bijzonder geschikt voor een tentoonstelling, ook al omdat het glas uitvergroting mogelijk maakte. ONTPLOOIING
Bij musea ontstond behoefte aan dergelijke didactische modellen, omdat van musea in de loop van de negentiende eeuw in toenemende mate werd verwacht dat ze een middenklasse bedienden die meer vrije tijd, meer geld, en meer gelegenheid tot ontplooiing had dan ooit tevoren. Dit nieuwe publiek had behoefte aan een juiste combinatie van vorming en amusement. Natuurlijke historie voldeed aan die vraag. Aan de universitei-
ten ontwikkelde de biologie zich intussen tot een zelfstandige wetenschap die zich kon richten op de samenhang van soorten in het dierenrijk. In het Aquarium Dubuisson Musée de Zoölogie te Luik staan de glasmodellen nog steeds naast de vloeistofpreparaten, zodat ze eikaars functies verhelderen. Alsof de tijd er heeft stilgestaan, net als in het Institut für angewandte Zoölogie van de Humboldt Universiteit in Berlijn, waar glasmodellen ook nu nog op colleges over ongewervelde dieren worden getoond. In 1882 aanvaardde dr A.A.W.
krijgen zijn en die dan door de inwerking van de vloeistof waarin zij bewaard worden kleur en vorm zo spoedig verliezen - modellen in glas te vervaardigen die niet alleen het oorspronkelijke veel getrouwer nabootsen dan afbeeldingen dit ooit kunnen doen, maar die voor demonstratie bij het onderwijs in vele gevallen zelfs doeltreffender zijn dan de voorwerpen zelve, op liquor. Uit de uitgebreide verzameling die door deze firma te koop wordt aangeboden zou ik voorlopig de vertegenwoordigers van de voornaamste diergroepen wenschen aan te schaffen. Van zoodanig honderdtal zul-
Hubrecht - toen conservator aan het Rijksmuseum voor Natuurlijke Historie in Leiden - het ambt van hoogleraar in de dierkunde te Utrecht. Hubrecht zou het Utrechtse Museum voor Natuurlijke Historie, waarin de objecten uit vroegere kabinetten van hoogleraren waren opgenomen, verder ontwikkelen tot een universitaire collectie ten behoeve van vooral het onderwijs. Bij zijn benoeming voegde hij daaraan de door hem bestelde wasen glasmodellen toe. Op 4 oktober 1882 bestelde Hubrecht voor tweehonderd gulden aan glasmodellen. Hij schreef hierover: "Een andere firma (...) (L. Blaschka 8k Sohn) is er in den allerjongsten tijd in geslaagd van de meest zeldzame en doorschijnende zeedieren - die voor een museum dikwijls zoo moeilijk te ver-
Detail van een glasmodel van een soort bougainville, stezk uitvergroot. Goed te zien is dat zich in de knoppen een kwalachtig stadium van de soort ontwikkelt, dat zich in het echt later uit de knop losmaakt.
WETENSCHAP,
CULTUUR
O) SAMENLEVING
37
- OKTOBER
len de kosten circa f. 200 beloopen." Hubrecht koos voor alle diergroepen uit de catalogus één of meer glazen vertegenwoordigers. Daarbij heeft hij kleine diergroepen niet overgeslagen. Hij koos bovendien diverse ontwikkelingsseries en anatomiemodellen. Hubrecht toont zich in deze keuze van modellen een negentiende-eeuwse museum- en wetenschapsman; hij was zeer op de glasmodellen gesteld. Zijn kleinzoon wist te melden dat de modellen vanaf 1915 tot ongeveer 1937 in het huis van de weduwe van de geleerI^C)^
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1995
VU-Magazine | 588 Pagina's