VU Magazine 1995 - pagina 161
OP DE PLANK
schrijven. En als het optreden van diezelfde De Winter in een reclamecampagne wordt gehekeld, heet het dat hier een klassiek stereotype wordt bevestigd: het stereotype van de sjacherende jood. Misschien nog net geen antisemitisme, maar het komt wel in de buurt. Ondanks haar kritische houding koestert Evelien Gans zich aan de warmte van het familiegevoel. Niet dat die familieleden allemaal zo aardig zijn, er zitten echte rotzalcken bij. Maar om een rotzak een rotzale te mogen noemen, moet je wel familie zijn. Een buitenstaander moet met zijn poten van 'onze' rotzakken afblijven. Evelien Gans bevestigt in wezen de dubbele moraal die juist een belangrijke bron van veel problemen is. Daarmee levert ze niet echt een bijdrage aan een ontspannen omgang tussen joden en niet-joden. Gelouterde taboeschenners als Theo van Gogh en de Propria-Curesredactie voelen deze dubbele moraal haarscherp aan en op de meest grove en smakeloze wijze weten zij de gevoeligste plekken te vinden. Waarna voor de bezorgde goegemeente slechts één conclusie gerechtvaardigd lijkt: er is iets mis met de verhouding tussen joden en niet-joden in Nederland. Misschien een mooi onderwerp voor een boek. (KN)
Echte rotzakken Is er iets aan de hand in de verhouding tussen joden en niet-joden in Nederland? Soms zou je het denken. Er zijn de afgelopen jaren de nodige 'affaires' geweest. Theo van Gogh is aangeklaagd wegens antisemitisme, een Fassbindei-stuk mocht niet opgevoerd, en er was die afbeelding van Leon de Winter, liggend in smoking tegen de achtergrond van een massagraf - geintje van de Propria-Curesredactie. Misschien is er daadwerkelijk iets ernstigs aan de hand en zou je kunnen spreken van een verhouding die wordt geteisterd door taboes. Dat is in ieder geval het uitgangspunt van Evelien Gans en ze weet inderdaad aannemelijk te maken dat er het een en ander scheef zit. Het belangrijkste probleem is en blijft de Tweede Wereldoorlog. Verhoudingsgewijs zijn heel veel Nederlandse joden omgekomen in de concentratiekampen. Je kunt van de niet-joodse Nederlanders moeilijk zeggen dat ze erg solidair waren met hun joodse landgenoten. En de joden die terugkeerden uit de kampen werden niet altijd even hartelijk bejegend. Hun aanwezigheid riep schuldgevoel op, een besef te weinig gedaan te hebben. Zulle schuldgevoel kan ook weer leiden tot verheerlijking van het slachtoffer. Op redelijk subtiele wijze legt Evelien Gans het mijnenveld bloot. Ze beklemtoont de noodzaak van zelfkritiek bij zowel joden als niet-joden. Ook joden koesteren hun rol van slachtoffer wel eens een tikje te nadrukkelijk. Zelfkritiek dus, en terecht; het vermogen tot zelfkritiek is een van de meest verheffende menselijke
eigenschappen. Maar een interessantere vraag is of ook wederzijdse kritiek is toegestaan. Staat men open voor wederzijdse kritiek, of neemt men bij voorbaat al een houding aan van krampachtige afwerendheid? Die vraag is wellicht de meest interessante toetssteen wat betreft de kwaliteit van de verhouding tussen joden en niet-joden. Ondanks diverse nuances is het antwoord van Evelien Gans in essentie, dat het niet mag. Joden mogen wel kritiek hebben op joden, maar buitenstaanders dienen zich er niet mee te bemoeien. Zij zelf heeft de neiging om iedere vorm van kritiek van niet-joden te 'ontmaskeren', de kritiek niet te beoordelen voor wat die waard is, maar er altijd iets achter te zoeken. Als de criticus Jaap Goedegebuure het niet zo blijkt te hebben op Leon de Winter, heet het dat Goedegebuure last heeft van 'thematische nijd', dat wil zeggen dat hij als nietjood jaloers is op joden omdat ze zo'n 'mooi' onderwerp hebben om over te
Evelien Gans, 'Gojse nijd & joods narcisme: de verhouding tussen joden en niet-joden in Nederland', Uitgeverij Arena, f. 27,90.
WETENSCHAP,
CULTUUR
&) SAMENLEVING 23
- APRIL
1995
A. van den Beukei, 'Met andere ogen - Over wetenschap en het zoeken naar zin'. Ten Have, f. 34,90. De Delftse fysicus (prof.dr.ir.), die eerder de aandacht op zich vestigde met zijn 'De dingen hebben hun geheim' (1990), zet in dit boek zijn kruistocht voort tegen collega-natuurkundigen die op levensbeschouwelijk terrein hun hand overspelen. De mens een schitterend, maar doelen zinloos ongeluk? Zo'n uitspraak heeft, aldus Van den Beukei, weinig met wetenschap, maar veel met metafysische vooroordelen te maken. Een moedig en persoonlijk manifest. George Smoot e) Keay Davidson, 'Rimpelingen in de tijd - Een kosmisch avontuur, Bodoni, f. 55,-. In 1977 schreef kosmoloog Steven Weinberg een geruchtmakend boek over het ontstaan van het heelal. Zijn slotsom luidde dat de mens een nietig, eenzaam deeltje is in een vijandig en zinloos heelal. Het boek inspireerde George Smoot tot de beoefening van hetzelfde vak. Smoot, die als gevestigd astrofysicus in 1992 zijn ontdekking van rimpels in het weefsel van de ruimtetijd wereldkundig maal<te, komt echter tot een andere conclusie in het persoonlijk getoonzette relaas over zijn ontdekking (door collega's 'de belangrijkste van deze eeuw' genoemd). Einstein had gelijk, meent Smoot - God dobbelt niet - hetgeen hij afleidt uit de globale kosmische neiging tot het ontwikkelen van steeds perfectere en complexere systemen. Karen Armstrong, 'Een geschiedenis van God Vierduizend jaar jodendom, christendom en islam', Anthos, f. 59,50. Na een vergelijkende studie van de drie verwante godsdiensten poneert deze
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1995
VU-Magazine | 588 Pagina's