Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

VU Magazine 1995 - pagina 91

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VU Magazine 1995 - pagina 91

5 minuten leestijd

D

e Verenigde Oostindische Compagnie was een veellcoppig lichaam. Een compleet netwerk van bestuurlijke en financiële instellingen zat eraan vast. Niet alleen de welgestelde handelaren voeren er wel bij, maar ook de toeleveranciers. Brood, spijkers, touw; aan de V.O.C, kon je altijd leveren. Dat ging maar door." In de Doopsgezinde schui&erk aan het Singel ruikt het naar boenwas. Dr. Lodewijk Wagenaar spreekt er met verve over zijn stad en de V.O.C. Over Azië, land van verhalen, land van geuren, en over Amsterdam, stad aan het IJ. "Hij lijkt wel een marktkoopman", schertst mijn aandachtig luisterende buurman wanneer Wagenaar plastic zal^jes kruidnagel, nootmuskaat en foelie de zaal inslingert. Exotische geuren overstijgen die van de boenwas. "Dit is peper", zegt Wagenaar. Mijn buurman had het al gesnoven. Wagenaar heeft de buikjes zelf ingevoerd uit Sri Lanka, alwaar hij een paar weken ondergedoken is geweest in het archief ("driehonderd meter documenten, heerlijk"). Met deze kruidige dampen uit het Oosten haalt hij Amsterdams verleden op: "Als je in deze stad rondliep, bij het Oost-Indisch Huis, bij de pakhuizen in de Peperstraat of de Foeliestraat, dan róók je de specerijen. Zelfs een blinde kon de weg vinden naar de palchuizen. En iedereen wist: daar zit het geld." Wagenaar is in 1994 gepromoveerd op het leven in het vestingstadje Galle, op Sri Lanka, toen de Nederlanders er nog de scepter zwaaide. "In Galle heb ik veel vrienden, ook al zijn ze allemaal morsdood. Ik ken ze goed, hun kinderen, hun slaven, hun werk." Enkele dagen na de lezing lopen we door de bewuste Peperstraat, een smal straatje aan de rand van de binnenstad. De geveltjes in deze oude wijk zijn kenmerkend, ook als je uit het niets hier neerstrijkt weet je meteen, dit is Amsterdam. "Hier heerste een enorme bedrijvigheid", zegt Wagenaar. "De eerste werf van de Compagnie kwam hier in 1608, er was net voldoende plaats om aan twee schepen tegelijk te werken." In de Peperstraat ruikt het niet WE'

len. In deze pakhuizen werden onder andere Kaapse wijnen en arak opgeslagen. De winkel is nu gevuld met snuisterijen: met scheepsmodellen, uit het water opgedoken tinnen lepels en een decompressietank. "Het lijkt wel een museum", roept de conservator enthousiast. Wagenaar, die lange tijd ook leraar geweest is, legt uit waar we zijn aan de hand van een naar zijn zeggen slechte kopie van een zeventiendeeeuwse kaart in de hoek van de duikersshop: "De poort hiernaast verschafte de toegang tot de oude werf. De apotheker had er zijn winkel en de scheepstimmerman zijn dienstwoning. En er was een oliekokerij gevestigd, exotische geuren van noten-, foelie- en kaneelolie kwamen je tegemoet." Wagenaar wil de geschiedenis kunnen inademen, en letterlijk voor zich zien. Historici zijn wat hem betreft te veel met lettertjes bezig. Hij wijst naar de kaart: "In 1661 verhuisde de Compagnie naar Oostenburg. Hier zie je de lange Lijnbaan waar het touw in alle maten geslagen werd. En aan het einde van de baan, midden in het water, het teerhuis. Ze hadden alles overdacht, op die plek gaf het brandgevaarlijke teerhuis het minste risico."

meer als vroeger, de wei-ven zijn al eeuwen weg en de rust is weergekeerd, geen stofje aan de lucht. Maar dat blijkt slechts schijn, als we even doorlopen komen we op de racebaan uit die Prins Hendrikkade heet. Auto's, bussen (lijn 22, Indische Buurt), brommers, fietsen snellen voorbij.

Admiraliteit Wie de meest uiteenlopende facetten van een stad als Amsterdam in één blik verenigd wil zien moet hier op de Prins Hendrüdcade zijn. Naast het Scheepvaartmuseum, voorheen 's Lands Zeemagazijn, in 1656 gebouwd naar ontwerp van Daniël Stalpaert, ligt de replica van het achttiende-eeuwse schip de 'Amsterdam' aangemeerd. Treinen snellen over de brug naar het Centraal Station. Verderop ligt het gelaagde schip, tevens Chinees restaurant. Sea Palace, als een verlichte tempel op het water. Het Oosterdok, nu een typische binnenhaven, lag vroeger open aan het IJ. Wagenaar: "Op oude schilderijen zie je altijd de palen in het water, waar de schepen aan konden afmeren. Daar, bij het scheepvaartmuseum, waren de werven van de admiraliteit. Zij hadden hun eigen Hoek (deel van de haven H.J.), afgesloten door de admiraliteitsboom." Door de potpourri van indrukken zullen voorbijgangers de statige handelshuizen aan de Prins Hendrikkade snel over het hoofd zien. Links de pakhuizen van de (minder succesvolle) Westindische Compagnie; handelsprodukten uit de West, suiker, tabak en katoen, werden hier opgeslagen. Rechts pakhuizen van de Oostindische Compagnie. Hier stappen we naar binnen. Shadow Diving Nederland heeft er een winkel gevestigd: 'In de oude werf'. "Goedemiddag", zegt Wagenaar, "weet u waarvoor deze panden vroeger dienden?". De eigenaar heeft in eerste instantie geen idee, maar herstelt zich snel: "Ik denk dat het met de scheepvaart te maken heeft, de Oude Werf zal wel een werf van de V.O.C, geweest zijn."

Waaigat Oostenburg is een winderige uithoek van oud-Amsterdam, waar vooral veel nieuw gebouwd is. "In sneltreinvaart is hier een heel werkterrein opgebouwd", vertelt Wagenaar, "Een zaagmolen, een timmerwerf, alles was hier aanwezig. Zelfs in de nadagen van de V.O.C, werkten hier duizend tot dertienhonderd mensen." We wandelen naar Oostenburg, langs de Parelstraat, het Waaigat en de Touwbaan, straatnamen die herinneren aan het werkterrein van de Compagnie. Nu ligt de buurt er verlaten bij. Woontoren na woontoren, afgewisseld met water, wandelen we voorbij en overal suist de wind. Aan de einder bereiken we het Voorhuis van de Oostindische Lijnbaan, een ietwat overhellend gebouw met in het timpaan het embleem van de V.O.C. Hier werd de hennep en de teer bewaard, die nodig was voor de touwslagerij. Wage-

Wagenaar heeft de verbouwing van deze panden op de voet gevolgd, het antwoord is hem alleszins meegevalCHAP, CULTUUR

es) SAMENLEVING

- MAART

I

995

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1995

VU-Magazine | 588 Pagina's

VU Magazine 1995 - pagina 91

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1995

VU-Magazine | 588 Pagina's