VU Magazine 1995 - pagina 276
epifytische struiken van de bosbesfamilie. De populairste epifyt, de houtige struik Noiantea, fungeerde voor veel vogelsoorten als een feestelijk buffet. Er waren grijskeelroodstaarten die insekten van de bladeren pikten, zilverkeeltangara's en smaragdarassari's die de rode vruchten aten, kolibries en paarskeelbergjuwelen die de nectar dronken, en tandsnavelbaardvogels die op de talcken van deze plant op insekten joegen. Het is een bekend gegeven dat dieren van epifyten gebruik malcen. Vogels verzamelen epifyte mossen en korstmossen voor de bouw, versteviging of camouflage van hun nesten, en ze baden in de waterplassen die zich ophopen in bromelia's. Witkopcapucijnaapjes plukken en pellen de bromelia's op zoek naar insekten. Ik heb gezien hoe drie slangen langs de talcken gleden en, in de hoop een rustende kikker of een badende vogel te verschalken, bij elke poel halt hielden en weer verdergleden naar de volgende, zoals jongelui 's avonds in de stad van de ene snackbar naar de andere trekken. Een bonte verzameling dieren is van epifyten afhankelijk voor hun voedselvoorziening, drinkwater en beschutting, en door die bevolkingsdichtheid krijgt de hoeveelheid voedingsstoffen in de kroonlaag een omvang die de bomen, als gastheer van de epifyten, zelf nooit zouden kunnen leveren. Bovendien is, dankzij seizoensverschillen tussen epifyten en hun gastheerbomen, de voedselvoorziening het hele jaar rond gewaarborgd.
Een ontdekking als deze hoort bij de avontuurlijke pioniersperiode van een wetenschap als deze. De wortelstelsels onder de epifyttapijten, en ook de vogels, de apen en de slangen die in de kroonlaag gedijen, waren er altijd al. Het wachten was alleen op een opmerkzame bioloog die eens met een snoeimes omhoog zou klauteren en hun functie zou begrijpen. Er waren slechts drie biologen met een goede observatiepost en voldoende tijd voor nodig om tot die ontdekking te leiden. Net als in 1848, toen de eerste pioniers bij Sutter's Mill in Californië over goudklompjes struikelden en de rijkdommen voor het oprapen bleken te liggen. Navolgers kregen het moeilijker en hadden apparatuur en veel geduld nodig om nog restjes goud tevoorschijn te halen. HETELUCHTBALLON
Na publikatie van de eerste onderzoeksresultaten in wetenschappelijke tijdschriften, zette üc mijn onderzoek in de boomtoppen van Costa Rica voort. Maar het ging niet allemaal van een leien dalcje. Zo wees het fonds dat in Amerika de onderzoeksgelden beheert, drie opeenvolgende beursaanvragen af, omdat aan het wetenschappelijk niveau van kroonlaagonderzoek werd getwijfeld. Nog datzelfde jaar nam het aantal publücaties over de kroonlaagbiologie sterk toe, terwijl in 1986 een internationaal symposium over epifyten werd gehouden. Het onderzoeksterrein begon erkenning te krijgen en bloeide op. Met de groeiende interesse werd de kroonlaag ook toegankelijker en kwam er betere onderzoeksapparatuur. Er werden antennetorens opgericht om de meteorologie van het regenwoud, van de begane grond tot en met de kroonlaag en daarboven, in kaart te brengen. Een Franse bioloog ontwierp een 'kroonlaagvlot'; een schitterend (maar kostbaar) zeshoekig net dat halverwege de jaren tachtig met een heteluchtballon over de boomtoppen van een regenwoud in Kameroen werd gedrapeerd. De hoeveelheid en verscheidenheid aan gegevens die kunnen worden verzameld is inmiddels drastisch vergroot door gebruikmalcing van grote hijskranen, waarmee biologen in een comfortabele gondel mechanisch naar bijna elke locatie in een gebied van drie hectare zijn over te hevelen. Met zulke middelen is het steeds gemakkelijker geworden om gegevens te verzamelen, niet alleen van de bomen zelf maar ook van de ruimten ertussen. Zelfs de biologen op de begane grond zijn nu door de goudkoorts gegrepen en blazen met ventilatoren wolken insekticide de kroonlaag in om geleedpotigen die daar leven te verzamelen. Satellietsensoren helpen vanuit hun baan om de aarde mee aan het onderzoek door de verschillen in warmte- en lichtweerkaatsing van het oppervlak van de vegetatie te onderscheiden, en bieden zo een veel weidser perspectief op de kroonlaag dan wat de eenzame bioloog op dit punt vanuit die ene boomtop kan waarnemen. De tijd die de onderzoeker vroeger kwijt was aan het verzinnen van manieren om veilig in de boomtoppen te kunnen werken, kan hij dankzij al deze technieken nu besteden aan het analyseren en interpreteren van de verzamelde gegevens. Ironisch genoeg zal de kroonlaagbioloog van de toekomst Kroonlaagbioloog Donald R. Perry op weg naar zijn slaap- en werkplek in de kruin van een met epifyten overwoekerde woudreus.
WETENSCHAP,
CULTUUR
et) SAMENLEVING
- JUNI
199s
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1995
VU-Magazine | 588 Pagina's