VU Magazine 1995 - pagina 375
V
erscholen tussen de takken van een heideplant hangt een dode vünder in een spinneweb. Het is een iel beestje met keurig zwart omlijnde oranje, bruine en witte vlekjes op de vleugels. In de buurt vliegen nog enige tientallen exemplaren van dezelfde soort. Vlinderkenner Kars Veling (34) denkt dat het slachtoffer van de spin een vrouwtje is. "Een tamelijk dik lijfje, daar zie je het aan. Hoewel, het blijft moeilijk uit te malden." De dode vlinder is een bosparelmoervlinder en de overvloed aan soortgenoten die om ons heenvliegt is misleidend: ze scoren hoog op de Rode Lijst van bedreigde dagvlinders in Nederland. Veling wil dan ook niet aan de grote klok hangen waar we ons bevinden. "Ergens in Drenthe, kun je het daar bij laten?" vraagt hij. "Als je precies aangeeft waar ze zitten, dan komen er misschien ongewenste types op af. Die verstoren de boel of gaan vlinders vangen. Opgeprikte exemplaren van zeldzame soorten hebben waarde. Blijkbaar is het nog niet bij iedereen doorgedrongen dat een levende vlinder een stuk fraaier is dan een dode. Er zijn nog steeds ruilbeurzen voor vlinders." En dus spreken we af om het bij een vage aanduiding te laten: een natuurgebied met eikehakhout, heide en braamstruiken ergens in Drenthe. Het is één van de weinige plaatsen in ons land waar de bosparelmoervlinder nog rondvliegt. Ondanks de bedenkingen van Veling is de aloude hobby van het vangen en opprikken van vlinders de basis van het werk van de Wageningse Vlinderstichting, een organisatie die zich bezighoudt met alles wat het welzijn van vlinders kan bevorderen. De Vlinderstichting stelde de Rode Lijst van bedreigde en uitgestorven soorten op en is bovendien de werkgever van Veling. "Die 'vlinderprikkers' maakten altijd keurige etiketjes", vertelt hij, "en daarop gaven ze aan waar ze een soort gevangen hadden. Aan de hand daarvan kunnen wij nu weer vaststellen welke vlinders waar voorkwamen en waar ze inmiddels zijn verdwenen." De Rode Lijst is lang. "Schrikbarend lang", zegt Veling als hij een vergelijking maakt met de tijd van de vlinderprikkers. Van de zeventig vlindersoorten die ooit in ons land thuishoorden zijn er zeventien uitgestorven en staan er dertig te boek als bedreigd. Het duingentiaanblauwtje, een onder-
soort van het gentiaanblauwtje, is zelfs op wereldschaal uitgestorven. De andere soorten hebben het moeilijk in Nederland, maar kunnen het elders nog wel bolwerken.
Kroeglopers Dat het volgens de Rode Lijst zo slecht gaat met de vlinders in Nederland is merkwaardig, want de natuur als geheel lijkt zich voorzichtig te herstellen. In de provincie Drenthe keert de kleur terug in het landschap, eentonig groene weilanden veranderen langzamerhand weer in gevarieerde natuurgebieden. Daar moeten de vlinders toch een graantje van meepikken, zou men denken. Waarom blijft de bosparelmoervlinder, net als bijvoorbeeld zijn naaste verwant de Veenbesparelmoervlinder, dan zo zeldzaam? "Kijk maar om je heen", antwoordt Veling. "Dit soort landjes zijn uitermate zeldzaam. Wat je ziet zijn strubben, een oude aanduiding voor een bos waar regelmatig eikehakhout uit werd gehaald. Aan de oude bomen is dat nog te zien, die splitsen zich vlak boven de grond in drie of vier stammen. Boeren zetten er op die hoogte vroeger de bijl in om paaltjes of werktuigen te maken van het hout. Jongere eiken hebben een stam uit één stuk, want tegenwoordig kappen boeren geen eikehakhout meer. Ze laten de bomen met rust en dat is nu net wat de bosparelmoervlinder niet hebben moet. Die is nogal kieskeurig en heeft met name eikebos met open plekken nodig." Ook in andere opzichten stelt de bosparelmoervlinder hoge eisen. Er moet flink wat hengel zijn: een plantje met gele bloemen, dat door de rups van de vlinder wordt gebruikt als voedsel. De vrouwtjes leggen hun eieren altijd op plekken waar de hengel uitbundig groeit. En natuurlijk hebben vlinders nectarrijke bloemen nodig. Die combinatie is zeldzaam in Nederland en dus is de bosparelmoervlinder dat ook. Aan de rand van de strubben ligt boerenland: een stuk grond waarop toekomstige kerstbomen in de zon staan te bakken en eentonig groen weiland. De overvloed aan bosparelmoervlinders houdt daar meteen op. Veling ziet alleen een kleine vos voorbij vliegen. "Kleine vossen", zegt hij, "noemen wij kroeglopers. Die zijn niet zo kritisch op hun omgeving. In de zomer zitten ze vaak in tuinen, net als bijvoorbeeld de dagpauwoog. Met die CHAP, CULTUUR
et) SAMENLEVING
-
SEPTEMBER
soorten gaat het goed, die profiteren al van de toegenomen aandacht voor de natuur." Een paar weken tevoren had Veling zich nog afgevraagd of het wel zin had het Drentse land in te trekken. Hij betwijfelde of er veel te zien zou zijn. "bosparelmoervlinders bevinden zich hoogstens een week of drie in het vlinderstadium", licht hij toe als we zijn gaan zitten op een houten bank, neergezet op een plek die goed uitzicht biedt over de strubben. "De vlinders bereiken dat stadium allemaal zo ongeveer tegelijkertijd. De kans om ze te missen is dus groot en als het weer tegenzit zijn ze hoe dan ook schaars." Maar het weer werkte mee. Een vochtig voorjaar en meteen daarop een flinke hete periode is een weldaad voor de bosparelmoervlinder. Dit jaar was er, in tegenstelling tot het vorige, een overvloed aan vlinders. Genoeg om een stel weg te vangen en een poging te wagen de soort zich elders te laten vestigen. Zo'n herintroductie is in de ogen van Veling weinig anders dan een noodmaatregel. Vlinders horen in principe zelf de plekken te zoeken waar ze zich kunnen handhaven. Maar zo werkt het niet meer. De mens heeft de natuur in geïsoleerde stukjes gehal<t en de 'infrastructuur' tussen die verspreide gebiedjes is helemaal weggevallen. Dat maal<:t het reizen moeilijk en vooral gespecialiseerde soorten als de bosparelmoervlinder zijn gekluisterd aan kleine stukjes natuur en dus kwetsbaar. Ondernemende types die het elders willen proberen komen onherroepelijk om, ver voor ze nieuwe leefgebieden hebben bereikt. Veling: "Dus moet de mens een handje helpen. Maar het is toch altijd gokken met zo'n herintroductie. We hebben natuurlijk een plek uitgezocht die geschikt lijkt, een gebied dat zoveel mogelijk lijkt op het strubben-gebied waar we nu zitten. Het gaat om een terrein van Defensie in de buurt van Schipborg, waar vroeger ook al bosparelmoervlinders zaten. Ik kan in dit geval wat meer over de lokatie vertellen; we zullen volgend jaar ruchtbaarheid geven aan deze herintroductie. Dit jaar hebben we de pers niet opgetrommeld. De beslissing om met het project te beginnen viel van het ene moment op het andere, eigenlijk meteen toen we in de gaten kregen dat het een goed jaar voor de bosparelmoervlinder werd en dat het verant1995
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1995
VU-Magazine | 588 Pagina's