Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

VU Magazine 1995 - pagina 417

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VU Magazine 1995 - pagina 417

3 minuten leestijd

vraag: werkt het? Mijn body of beliefs moet telkens opnieuw gerechtvaardigd worden doordat blijkt dat ik ermee uit de voeten kan in het leven. Als ik ervaringen opdoe die ik niet kan rijmen met de rest van mijn opvattingen, dan moet ik die aanpassen om die nieuwe ervaring op een coherente manier te accomoderen." Zo zal in deze theologie de vraag of God bestaat niet zonder meer met een volmondig 'ja' worden beantwoord. "De bewering dat God bestaat, is geen op zichzelf staande bewering. Als ik erachter wil komen hoe ik weet dat God bestaat, dan moet ik me afvragen: kan ik binnen het geheel van het christelijk geloof de bewering opgeven dat God bestaat? Het antwoord luidt: nee, want dan valt het hele systeem van het christelijk geloof in duigen. De volgende vraag is dan: is het geheel van het christelijk geloof adequaat? Kunnen wij ons leven er zin mee geven? Als dat niet zo is, moeten we het aanpassen." KNIEVAL

Naast wetenschappelijke waardering krijgt het werk van de Utrechtse School ook kritiek. Met name worden er vraagtekens gesteld bij het bijbels gehalte van het godsbeeld dat de Utrechtse School erop nahoudt. Alleen al in het idee dat God eigenschappen heeft die in kaart kunnen worden gebracht, zien critici een knieval aan de klassieke God van de filosofen. "De meeste van deze eigenschappen", schreef Berkhof al voordat de klassieke eigenschappenleer dankzij de Utrechtse School opnieuw opgeld deed, "hebben hun bloei in de geloofsleer niet daaraan te danken dat ze ons krachtens de ontmoeting met de God van Israël, de Vader van Jezus Christus te binnen komen, maar veeleer aan de invloed van een wijsgerige, eenzijdig transcendente godsconceptie." Anderen verwijten de klassieke godsleer Gods wezen te behandelen als een "opslagplaats" voor abstracte eigenschappen, waarover met "rationele onbeschaamdheid" wordt gesproken. Van dit klassieke godsbeeld waren we nu juist bevrijd door de grote Duitse theoloog Karl Barth, verzuchten de critici. Barth en - vóór hem - de filosoof Kiekegaard hebben God beschreven als de ganz Andere, de ontoe-

gankelijke over wie slechts in raadsels en paradoxen kan worden gesproken. De theologen van de Utrechtse School zijn geneigd deze kritiek te pareren met de opmerking dat wie voortdurend in paradoxen spreekt, uiteindelijk niets meer zegt. Maar in de inleiding tot de bundel 'Hoe is uw naam?' geven de samenstellers toe dat de kritiek uit onder meer de Barthiaanse hoek "nog onvoldoende beantwoord en verwerkt" is. Vreemd genoeg wordt de kritiek op de Utrechtse School zelden hardop uitgesproken, laat staan op papier gezet. Weinig theologen in Nederland zijn goed genoeg op de hoogte van het werk van Brümmer en de zijnen om er gedegen kritiek op te kunnen geven. Na ruim een kwart eeuw in Nederland is Brümmer nog steeds een beetje een vreemde eend in de bijt. Dat heeft ongetwijfeld voor een deel te mal<en met de Angelsal<sische achtergrond van Brümmer, voor wie de vanouds op het Duitse taalgebied georiënteerde Nederlandse theologie vreemd is. De wederzijdse vooronderstellingen verschillen zo zeer van elkaar dat een goede discussie nauwelijks van de grond komt. Volgens Brümmer zelf heeft dit verschil in achtergrond nog een ander aspect. "De theologie in Nederland heeft een heel sterk filologisch-historische traditie", zegt hij. "Dat heeft veel invloed gehad, zo zeer zelfs dat theologisch onderzoek in Nederland niet voor wetenschappelijk doorging als het niet voldeed aan de maatstaf van het filologisch-historisch onderzoek." Veel van wat er aan de Nederlandse theologische faculteiten aan filosofie en systematische theologie gebeurt, is - heel anders dan het werk van Brümmer - in belangrijke mate historisch georiënteerd. "In Nederland is het nog steeds geen gewoonte om zelf een onderwerp bij de kop te palcken", is ook de waarneming van Brümmers medewerker en leerling dr Marcel Sarot. "Wie onderzoek doet naar de vraag wat het betekent dat God alomtegenwoordig is, gaat zich meestal verdiepen in wat een grootheid uit de geschiedenis - iemand als Augustinus of Calvijn - erover geschreven heeft. Dat wordt dan heel precies uitgevlooid, en in het slothoofdstuk van het boek erover wordt

WETENSCHAP,

CULTUUR

et) SAMENLEVING

47

- SEPTEMBER

dan nog even de vraag aan de orde gesteld wat wij daar nu aan hebben." Sarot vermoedt er dezelfde bescheidenheid achter die theologen er ook toe brengt slechts pianissimo over God te spreken. "Er bestaat een zekere angst om in onze tijd zelf nog inhoudelijk theologische uitspral<:en te doen. We durven zelf niet veel meer te zeggen en daarom verschuilen we ons achter beschrijvingen van wat anderen gezegd hebben." Sarot zelf deelt die angst niet. "Uitspralcen als zouden theologen na 'Auschwitz' er beter aan doen zich bescheiden op te stellen, sluiten aan bij een gevoel dat sterk leeft in de samenleving, ook onder bepaalde groepen kerkelijke mensen. Dat gevoel is van groot belang. Maar als je nagaat welke argumenten er nu achter zulke uitspraken zitten, dan blijken die er eigenlijk niet te zijn. Het is niet veel meer dan het oppikken van de tijdgeest - voor zover ik het vermag in te zien. Er bestaat wel weerstand tegen onzee wat massieve manier van theologie bedrijven. Dan wordt er gezegd: zoiets kan toch niet meer na 'Auschwitz', of na wat filosofen als Heidegger of Adorno gezegd hebben. Maar wat ik dan altijd wil weten, is: waarom niet?" Ook het werk van de Utrechtse School blijkt trouwens aan te sluiten bij het gevoel van veel - zij het andere - kerkelijke gelovigen,- vooral in het midden-orthodoxe en rechtse deel van de protestantse kerken blijkt behoefte te zijn aan een theologie zoals die in Utrecht wordt ontwikkeld. Aan de postmoderne relativeringen van de Utrechtse wetenschappers - dat de waarheid van uitspral<;en over bijvoorbeeld Gods almacht afhangt van de vraag of die kloppen met andere uitspraken over God, en dat het geloof als geheel slechts waar is voor zover het werkt - hebben deze rechtzinnige gelovigen weinig boodschap. Dat hoeft ook niet. Want binnen dat kader doen de Utrechtse theologen uitspralcen met een stelligheid zoals die lang niet is vertoond onder theologen. Sarot: "Het lucht mensen op dat dat nog kan."

Naar aanleiding van G. van den Brink en M. Sarot: 'Hoe is uw naam? - Opstellen over de eigenschappen van God'; Kok, f. 34,50.

I99S

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1995

VU-Magazine | 588 Pagina's

VU Magazine 1995 - pagina 417

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1995

VU-Magazine | 588 Pagina's