VU Magazine 1995 - pagina 419
maanden gespeeld, om vervolgens voorgoed in de vergetelheid te raken. Het is alsof een leger veelbelovende auteurs continu in de weer is met het schrijven van romans die meteen na publicatie aan de boekenwurm ten prooi vallen, terwijl de 'lUias' en het verzameld werk van Shakespeare elke generatie opnieuw moeten worden doorverteld. Pas aan het eind van de vorige eeuw schoot de techniek te hulp. Met de uitvinding van het bewegend filmbeeld kregen de choreografen er een belangrijk registratiemiddel bij. Hoewel een analfabetische kunstvorm, is de dans naar verwachting toch net zo oud als de mens. Uit rotstekeningen blijkt dat er meer dan tienduizend jaar geleden in het paleolithicum al jagers dansten om macht over de dieren des velds te krijgen. Reizend langs de tijdbalk passeert een bonte reeks dansvormen, van zaaidans, vruchtbaarheidsdans en priesterlijke extasedans tot pyrrische gevechts- en oosterse buikdans. Het hedendaagse ballet heeft zijn wortels in Italië, maar kwam rond 1600 aan het hof van Lodewijk de Veertiende pas echt tot bloei. De Zonnekoning was namelijk verzot op dansen. In 1654 speelde hij zelfs hoogstpersoonlijk de rol van opgaande zon in het 'Ballet de la nuit' van Lully. SrOK-FIGUURTfES
De hovelingen dansten overigens aanmerkelijk ingetogener dan hun hedendaagse collega's. Hofdansen werden gedomineerd door vaststaande vloerpatronen, die zorgvuldig, veelal twee-aan-twee, doorlopen moesten worden. De sfeer diende ingetogen te zijn. Schaterlachen was bijvoorbeeld zeer onkies; een gedraging die in de dansetiquette absoluut niet was toegestaan. Buiten de voorgeschreven passen was er niet veel te beleven; de partners hielden oogcontact en reikten elkaar van tijd tot tijd de hand. In deze periode werden er voor het eerst balletmeesters aangesteld. Zij stileerden de vrije volksdans en brachten de adel die bij. Hun gedachtengoed werd opgetekend in handzame dansinstructieboekjes, die van hand tot hand gingen. Zo werd de behoefte aan een gestandaardiseerde dansnotatie geboren. De oudst bekende notaties
zijn
teruggevonden in het stadsarchief van het Spaanse Cervera. In twee manuscripten worden de opeenvolgende passen van hofdansen door letters aangegeven. De Italiaanse dansmeester Domenico de Piacenza gebruikte een zelfbedachte notatie. In zijn boek 'Hoofse dans- en bewegingskunst; over de kunst van het springen en dansen' uit 1460 gelden lettercombinaties als symbool voor passen en thema's. Een simpele 'r' bijvoorbeeld voor 'reverence' (hoofse buiging) en 're' voor 'represa' (herhaling). "Het is niet zo verwonderlijk dat zulke eenvoudige notaties toch goed voldeden", zegt Isabella Lanz. Zij doceert danshistorie aan het Koninklijk Conservatorium te 's-Gravenhage en heeft zich voor de gelegenheid omringd met danshoeken. Lanz legt uit waarom dans in de Renaissance gemakkelijk te noteren was. "Het menuet heeft weinig bewegingen van hogere lichaamsdelen. Het was met name benenwerk met alleen wat accentverschillen en verschillende soorten stappen. Daarna, tijdens de Barok, werd de muziek steeds meer versierd met allerlei tierlantijntjes. Dat weerspiegelde zich in de dans. Er ontstonden meer vrije armbewegingen, het bovenlichaam kreeg steeds meer te doen en de dansers kwamen veel meer los van de grond. Op het podium werd de dans ingewikkelder, maar in de balzaal werden de bewegingen juist versimpeld." Lanz toont een zeventiende-eeuwse gravure waarop, ter instructie van een eenvoudige notatie, zowel de dansers als het bijbehorende schrift zijn afgebeeld. Onder de voeten van een devoot blikkend dansduo staat op de vloer het kronkelig parcours dat zij afleggen. De notatie zélf doet denken aan een ordinair behangselpatroon; zwierige krullen, links en rechtszijdig gespiegeld voor man respectievelijk vrouw. Slechts begin- en eindlokatie zijn aangekruisd. Deden er meer dansers mee dan werd de route domweg enkele meters verderop gekopieerd. Een min of meer stenografisch dansschrift werd rond 1700 ontwikkeld door de fransman Raoul Peuillet. Hij noemde het choiégraphie, basis van de term 'choreografie', en vulde de vloerpatronen aan met symbolen voor keerpunten en voetenwerk. Doordat die methode uitstekend voldeed voor de toenmalige Barokdans, bleef de
WETENSCHAP,
CULTUUR
e) SAMENLEVING
49
- SEPTEMBER
'Feuilletnotatie' tot aan de Franse Revolutie in heel Europa favoriet. De eerstvolgende ingrijpende verfijning komt op het conto van de choreograaf Arthur Saint-Leon. Als eerste dansmeester van de Opéra te Parijs ontwikkelde hij de zogenaamde 'stenochoreografie'; een analytisch dansschrift op basis van stok-figuurtjes. Anders dan alle voorgaande notaties ging zijn schrift niet uit van de af te leggen route, maar van de danser. "Na de Barok werd in de Romantiek het vocabulair sterk uitgebreid", legt Lanz uit. "Alle oorspronkelijke Franse termen gelden nog: Pas de deux-, anciennement, enzovoorts. Maar met de opkomst van moderne dans in de twintigste eeuw in Duitsland en Amerika is het dansvocabulair aanmerkelijk uitgedijd en de danstaai 'uitgerekt' doordat nu bewegingen worden gemaakt die voorheen niet mochten. In klassiek ballet zijn de benen bijvoorbeeld naar buiten gedraaid, omdat dat veel bewegingsmogelijkheden geeft. Sinds Ballanchine kunnen ze ook onder een hoek van vijfenveertig graden staan. Vroeger werd dat niet beschaafd gevonden". KiNETOGRAM Het vastleggen van dans in één allesomvattende notatie is intussen een schier onmogelijke opgave geworden. Twee dansschriften hebben echter de tand des tijds getrotseerd, zij het dat beide serieuze beperkingen kennen. Het zijn de 'Laban-' en de 'Benesh-notatie'. De zogenaamde Laban-notatie is genoemd naar de Hongaar Rudolf von Laban. Hij was niet alleen zelf danser en directeur van diverse opera's, maar ook danspedagoog. In de jaren twintig en dertig ontwikkelde Von Laban vanuit de bewegingsleer zijn dansschrift. Het is een notatiesysteem, dat behalve voor dans ook bruikbaar is bij bewegingsanalyses voor sport en industriële arbeid. De bewegingen worden per lichaamsdeel in vertikale kolommen genoteerd. Daarbij correspondeert elke kolom met een hoogteniveau van het lichaam: voeten, onderbenen, knieën, bekken, middenrif en hoofd. Van onder naar boven wordt het tijdsverloop weergegeven. In elke kolom wordt met vierkantjes, driehoekjes en andere vormpjes, genoteerd wat er op het desbetreffende lichaamsniveau aan bewe-
199S
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1995
VU-Magazine | 588 Pagina's