VU Magazine 1995 - pagina 181
biologie is gebeurd. Daar hebben, in Amerika althans, de evolutionisten, door hun hoogmoedig negeren van de antievolutionisten, het creationisme juist wind in de zeilen gegeven. Wie meent dat de vurige vlammen van fanatieke feministen of militante dierenbeschermers de olifantshuid van de wetenschap niet zullen schroeien, kon wel eens bedrogen uitkomen. Op de universiteit waar ik doceer, kan een student al bijna afstuderen in de zoölogie zonder ooit een dier, dood of levend, te hebben aanschouwd. Gezien de reële dreiging voor de wetenschap is het jammer dat Gross en Levitt alleen maar met - zacht gezegd 'simplistische' - oplossingen komen aandragen. Hun voorstel dat alle aanstellingen aan alfafaculteiten de goedkeuring van bètawetenschappers zouden behoeven is absurd en getuigt van schromelijke zelfoverschatting. De uitwerking van zo'n maatregel zou bovendien weinig positief zijn, noch voor de ontwikkeling van de geesteswetenschappen zelf, noch voor de samenwerking met de andere faculteiten. Toch gaan Gross en Levitt er vanuit dat natuurkundigen best tegen die toezichthoudende taak zijn opgewassen, als zi) schrijven: "In het algemeen zijn bètawetenschappers zeer gecultiveerde personen, in de beste en meest eerbare zin van het woord [...] De kennis van muziek, kunst, geschiedenis, filosofie en literatuur die een willekeurig gekozen groep natuurwetenschappers bezit is, zoals onze lange ervaring ons heeft geleerd, omvangrijk, en onder gunstige omstandigheden zelfs enorm." Als zij dat werkelijk geloven, dan is het eigenlijk geen wonder dat er ook mensen zijn die denken dat in het hart van donker Afrika de basis voor de quantummechanica werd gelegd. Mijn ervaring met bètawetenschappers en filosofie leidt veeleer tot een tegenovergestelde conclusie: doorgaans beschouwen fysici filosofie als iets waarmee je je aan het eind van de dag bezighoudt, na het nuttigen van een paar pilsjes. Ik ben bovendien niet onder de indruk van Gross en Levitts gezeur als zou de aantrekkingskracht van exacte vakken verder afnemen wanneer de geesteswetenschappen niet tijdig uit handen van de geesteswetenschappers worden gered. Die afgenomen aantrekkingskracht staat daar los van en is vooral veroorzaakt door de natuurkundigen zelf, die hun tijd liever aan hun eigen grensverleggende onderzoekje besteden dan aan een hecht doortimmerd onderwijsprogramma. Door hun onderwijstaak te verwaarlozen zijn zijzelf in belangrijke mate verantwoordelijk voor de natuurwetenschappelijke onkunde die zij hun critici verwijten. De dreiging voor de wetenschap heeft vele gezichten, dus moet een oplossing die ook hebben. De aanvallers moeten met hun eigen wapens worden bevochten,- een tactiek die Gross en Levitt in hun meest heldere momenten ook wel voorstaan. Terecht dagen ze bijvoorbeeld feministen uit om met resultaten te komen, waarmee zij hun pretenties kunnen waarmal<;en.
RUIMTE
Hoe zullen academici de wetenschap definiëren wanneer het stof eenmaal zal zijn opgetrokken, aangenomen dat de wetenschappelijke denkpolitie buiten de deur kan worden gehouden? Schuilt er, afgezien de van ondoordachte en rancuneuze verwijten, ook een kern van waarheid in de kritiek? Ik verkeer in tweestrijd over het juiste antwoord op die vraag. De zaken lijken mij minder eenduidig dan Gross en Levitt ze voorstellen, en ook minder eenduidig dan hun critici denken. De auteurs van 'Higher Superstition' benadrukken herhaaldelijk dat de wereld niet eenvoudig in eUcaar steekt. Het enige wat wetenschappers kunnen doen is trachten stukjes ervan in kaart te brengen. Wie zo grootmoedig is om dat toe te geven, kan in de uiteindelijk nooit helemaal te dichten kloof tussen de werkelijkheid en de wetenschappelijke interpretatie daarvan, ook ruimte creëren voor een subjectieve en evenwichtige verhouding van een wetenschapper tot de cultuur waarvan hij of zij zelf deel uitmaakt. Daarmee wil ik geen relativisme prediken of het belang ontkennen van de waarheidspretenties die wetenschappers er zo graag op na houden. Maar nadat ik de nieuwe professionele geschiedschrijving van de wetenschap zich vanaf de vroegste stadia heb zien ontwikkelen, kan ik alleen maar onder de indruk zijn van de ommezwaai die zich daarin heeft voltrokken. Bovendien ben ik me er als overtuigd aanhanger van de evolutietheorie onaangenaam van bewust dat er altijd meer dan één weg openstaat om een doel te bereiken. Gross en Levitt zouden om te beginnen de aanvallen op de wetenschap in een breder perspectief moeten plaatsen. Dat offensief - hoe ondoordacht dat soms ook is - zou wel eens meer betekenis kunnen hebben dan deze auteurs willen toegeven. Aangezien de denkkracht van de mens onbetwist een produkt van de evolutie is, en aangezien het meest karakteristieke biologische kenmerk van mensen is dat zij culturele dieren zijn, bepleit ik eenvoudigweg dat we onszelf voortdurend blijven afvragen of onze manier van denken - in de wetenschap of elders - wel de enig mogelijke is. Ik besef dat dit niet eenvoudig is. Want juist de evolutie probeert ons ervan te overtuigen dat onze wetenschap werkelijk uniek is.
Naar aanleiding van: Paul R. Gross en Norman Levitt, 'Higher Superstition: The Academic Left and Its Quarrels with Science', Johns Hopkins University Press, 1994. Michael Ruse is hoogleraar filosofie en zoölogie aan de University of Guelph in Ontario. Van zijn hand verscheen onlangs bij Routledge de essaybundel 'Evolutionary Naturalism'. © The Sciences, tweemaandelijks tijdschrift van The New York Academy of Sciences, november/december, 1994.
^^^^P
WETENSCHAP,
CULTUUR
et) SAMENLEVING
43
- APRIL
1995
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1995
VU-Magazine | 588 Pagina's