VU Magazine 1995 - pagina 331
land, meer nog dan om zijn Rembrandts en Van Goghs, uniek heten in de wereld. Het staat er niet alleen vol mee, maar is - vooral gezien zijn grotendeels benauwend lage peil, ver beneden de zeespiegel - slechts leefbaar dankzij deze kunstgrepen. Want waar zouden we zijn zonder dammen en dijken, sluizen en stuwen, vestingwallen, fortificaties en waterlinies, polders en droogmakerijen, havens, kanalen en gekanaliseerde rivierbeddingen? Inderdaad: Nederland is één alomvattend kunstwerk. Het boek, waaraan tal van auteurs hebben bijgedragen, doet een royale greep uit de vijfhonderdjarige historie van "de kunst des ingenieurs"; een functionaris die, geschoold in een niet voor niets door prins Mauiits in 1600 gestichte beroepsopleiding, aanvankelijk vooral als militaire vesting- en fortenbouwer doende was, maar die later, mèt de toevoeging van het adjectief 'civiel', toch vooral vredestaken zou gaan vervullen: stedebouw, architectuur, weg- en waterbouw. In een vijftal hoofd-
recht een afzonderlijke paragraaf in. Deze maatschappelijke strijd, gecentreerd rond de vraag of Nederland nu wel of niet mainpoït van Europa moet worden, laat zien dat het land dan een kunstwerk mag zijn, maar desondanks nog niet helemaal af is. Die indruk vindt versterking in het feit dat NAi Uitgevers nagenoeg tegelijkertijd met het verschijnen van 'Nederland als kunstwerk' ook 'Jaarboek 1994/1995 - Architectuur in Nederland' uitbrachten. Want af of niet, er wordt gewoon stug doorgebouwd. In deze jongste, gul geïllustreerde aflevering van wat mag gelden als de meest gezaghebbende bloemlezing uit de architectonische kunstnijverheidsproduktie van het afgelopen jaar, wordt een zeventiental inmiddels voltooide projecten belicht als zijnde trendsettend voor de hedendaagse Nederlandse bouwkunst. Die trend wordt vervolgens essayerend becommentarieerd door Hans van Dijk onder de evaluerende kop 'Over stagnatie en vernieuwing'; een titel aan de strekking waarvan niemand zich een buil kan vallen. Vanzelfsprekend zijn in dit jaarboek Alessandio Mendini's veelbesproken Groninger Museum en het in dezelfde stad gesitueerde hoofdkantoor van de Nederlandse Gasunie van de hand van, onder anderen, de antroposofisch angehauchte Ton Alberts opgenomen. De onvermijdelijke Aldo Rossi is present met, uiteraard, het Maastrichtse Bonnefantenmuseum. Maar over de vraag of er voor de Amersfoortse bunker van Van Berkel &) Bos, en de Amsterdamse, als woningbouw bedoelde blokkendozen van iVleyer et) Van Schooten wel voldoende cultureel en maatschappelijk draagvlak bestaat, zou ik me graag eerst nog eens rustig willen buigen, (GJP)
stukken, gelardeerd met illustratieve praktijkvoorbeelden, laat dit boek zien hoe vaardige mensenhanden Neerlands ruimte maakbaar maakten en Hollands landschap inrichtten. Overigens hebben de overheden de ingenieurs daarin gelukkig nooit helemaal de vrije hand gelaten. Evenmin zijn civieltechnische verworvenheden in heden of verleden ooit uit de lucht komen vallen. Het boek schenkt daarom ruim aandacht aan het feit dat een beetje kunstwerk pas van de grond komt wanneer er, zoals de inleider het nogal sociologisch formuleert, "een economisch, cultureel en maatschappelijk draagvlak voor bestaat." Dat dit lang niet altijd het geval is, en dat ingenieurs in dergelijke situaties tegen een fel afwijzende publieke opinie moeten opboksen, bewijzen de actuele controversen rond dijkverzwaring, Betuwelijn en de uitbreiding van Schiphol. Voor dit laatste aspect, namelijk dat van de ruimtelijke ordening als juzidisch kunstwerk, ruimt de NAi-uitgave tot besluit teWETENSCHAP,
CULTUUR
&>
'Nederland als kunstwerk - vijf eeuwen bouwen door ingenieurs', NAi Uitgevers, f. 85,-. 'Jaarboek 1994/1995 - Architectuur in Nederland', NAi Uitgevers, f. 75,-.
SAMENLEVING - IULI/AUGUSTUS
37
199J
"Het is de toegankelijkheid van zijn zenuwstelsel, die de poelslak tot een uniek proefdier voor neurobiologisch onderzoek maakt. Na verdoving kun je het zenuwstelsel gewoon naar buiten trekken, ermee manipuleren of eraan opereren en het daarna weer terugstoppen, zonder dat het dier daaraan doodgaat. Dat is met geen enkele andere slak mogelijk. (...) Niemand in ons lab houdt echt van zc; ik ook niet. Alleen mijn voorganger prof. dr Jan Lever deed dat. De poelslak is prettig om mee te werken; bij het opereren bijvoorbeeld bloedt hij niet, zoals een rat of een muis. Ik ken ook nauwelijks onderzoekers die een relatie met hun proefdier hebben. Toch heb ik er altijd op gehamerd om slakken met respect te behandelen; mijn studenten mochten ze van mij na hun onderzoek niet zomaar weg laten rotten. Als je er zo lang aan gewerkt hebt, en weet hoe complex het dier eigenlijk in elkaar zit, dan dien je daar veel respect voor op te brengen." Prof. dr f. Joosse, oud-hoogleraar dierkunde aan de Vrije Universiteit, in De Volkskrant, 20 mei. "Waar ik mij zorgen om maalc zijn die kleine ronde plastic schijfjes die in een één jaar dik laagje in het autoceen gevonden zullen worden. Want ik stel me zo voor, en ik hoop zehs, dat de beschaving over een miljoen jaar nog nooit van Crispy's, Wokkels, Hamka's en Chipito's heeft gehoord. Ik denk ook niet dat die het ooit in het hoofd zal halen een verzameling fiches op te stapelen om er een ander bovenop te mikken. Noch iets wat daar in de verste verte maar op lijkt. Hoe kunnen de archeologen dan ooit een fatsoenlijke verklaring vinden voor het verschijnsel Flippo's?" Columnist Harold de Boer in UT Nieuws, 1 juni.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1995
VU-Magazine | 588 Pagina's