VU Magazine 1995 - pagina 416
Hebreeuws moesten leren, om vervolgens te ontdekken dat de exegese van het Oude Testament gewoon vanuit de Nederlandse vertaling werd onderwezen." Daarom besloot Brümmer zelf maar te laten zien wat de theologie kan met het filosofisch gereedschap; hij ging zich meer en meer toeleggen op inhoudelijk theologische vragen, met name op die naar de eigenschappen van God. Brümmer trok in de loop der tijd een aantal medewerkers aan die met dezelfde, door de Angelsaksische filosofie geslepen messen theologische varkens trachtten te slachten. En zo ontstond wat op een gegeven ogenblik de 'Utrechtse School' werd gedoopt. Wat deze theologische benadering te bieden heeft, valt goed op te maken uit genoemde bundel. Dr Gijsbert van den Brink behandelt er bijvoorbeeld de vraag naar Gods almacht. Dat is een 'eigenschap' die zich in de moderne theologie niet in een zeer grote populariteit mag verheugen - de verwijzing naar 'Auschwitz' ligt veel theologen in de mond bestorven en wordt doorgaans als afdoende beschouwd om af te rekenen met de gedachte dat God almachtig zou zijn. Zo niet Van den Brink; die neemt de lezer mee in wat vooral een oefening in logica lijkt. Wat betekent het als we zeggen dat God almachtig is, vraagt Van den Brink zich af. "X is almachtig = X heeft het vermogen elke stand van zaken te realiseren", zo omschrijft hij aanvankelijk het begrip. Maar kan een almachtig wezen ook standen van zal<en realiseren die logisch onmogelijk zijn, zoals '2 + 2 = 5'? En kan hij ook een steen malcen die zo zwaar is dat hij die zelf niet kan optillen? Uiteindelijk komt Van den Brink met een omslachtige, maar redelijk sluitende definitie: "God is almachtig = God heeft het vermogen alle voor hem logisch mogelijke standen van zaleen te realiseren die verenigbaar zijn met zijn volmaakte wezen." Pas nadat hij zo heeft aangetoond dat het almachtsbegrip zich logisch consistent laat beschrijven, zet Van den Brink zich aan de behandeling van de vraag naar 'Auschwitz', de vraag die de meeste theologen als eerste stellen: als God volmaakt goed is èn almachtig, hoe bestaat het dan dat er zich kwaad voordoet in de wereld? Van den Brink antwoordt met wat een spitsvondigheid lijkt. Stel, zo betoogt Van den Brink, dat wij ervan uit gaan dat elk lijden in de wereld uiteindelijk een hoger
doel dient, omdat God het anders in zijn volmaakte goedheid wel voorkomen zou hebben. Dan zou het overbodig zijn als we ons nog tegen het lijden zouden verzetten, omdat dat lijden immers uiteindelijk toch tot iets goeds leidt. Dan zouden wij dus niet in staat zijn echt kwaad te doen, en zouden we dus geen verantwoordelijke mensen zijn. Het lijden, zo luidt de slotsom van Van den Brink, is nodig om ons verantwoordelijke mensen te maken en is dus geen argument tegen het bestaan van een volmaal<te en almachtige God. TABOE
Het meest in het oog springende kenmerk van het artikel van Van den Brink èn dat van de Utrechtse School is misschien wel de nadruk op de logica. Beweringen over God moeten "logisch consistent" zijn, is de voornaamste eis die de theologen van deze school stellen; en ze moeten ook "conceptueel coherent" zijn, dat wil zeggen: ze mogen niet in strijd zijn met andere beweringen over God die wij voor waar houden. Opvallend is dat de vraag of God bestaat - de kwestie van het Godsbewijs - niet meer wordt gesteld. Die vraag is decennia lang een hindernis geweest die elk spreken over God in de filosofie tot een taboe maakte. Met name onder invloed van de stroming van het logisch positivisme werd de term 'God' beschouwd als betekenisloos; er bestaat immers geen enkele empirisch aan te duiden grootheid op wie deze titel van toepassing zou kunnen zijn, "Met name in de Angelsaksische wereld hebben godsdienstfilosofen zich heel lang voornamelijk beziggehouden met de verdediging van het geloof tegen de kritiek van het logisch positivisme", vertelt Brümmer. "Men probeerde aan te tonen dat het geloof voldeed aan de eisen die het logisch positivisme stelde aan betekenisvolle uitspral<en. Of men betoogde dat die eisen niet van toepassing waren op het geloof, of dat die eisen niet deugdelijk waren. Maar met de inhoud van het geloof hield men zich niet bezig." Maar het logisch positivisme heeft afgedaan, zegt Brümmer, en dat is te danken aan de latere Wittgenstein, wiens opvattingen over taal in de loop van de jaren zestig steeds meer invloed kregen. Meaning is use, stelde
WETENSCHAP,
CULTUUR
es) SAMENLEVING
46
- SEPTEMBER
Wittgenstein: de betekenis van een uitspraal<: ligt in haar gebruik. In de godsdienstfilosofie werd de logischpositivistische vraag, "is een godsdienstige uitspraak verifieerbaar, ja of nee?", vervangen door de vraag "wat doen we als we een godsdienstige uitspraak doen?" En zo kwam ook de inhoud van het geloof weer in het vizier van de godsdienstfilosofie. Brümmer: "Vroeger stond de kentheorie centraal in de filosofie. De eerste vraag was altijd: hoe weet je dat? En dat vroeg om een bewijs; een bewijs dat eruit bestaat dat de dingen die je kent afgeleid kunnen worden uit ontwijfelbare foundations. Descartes is het bekendste voorbeeld: ik denk dus ik ben, en daaruit kan de rest worden afgeleid. Maar dat foundationalism, dat hele project van de Verlichting, heeft afgedaan; het is onhoudbaar gebleken. Want ofwel wij hebben onwankelbare fundamenten voor onze theoriën, maar dan kunnen wij de dingen die we weten er niet allemaal uit afleiden, ofwel we kunnen er wel alles uit afleiden, maar dan blijken de fundamenten niet allemaal onwankelbaar." De teloorgang van het Verlichtingsproject wordt veelal gezien als hèt kenmerk van het postmodernisme. Brümmer en de zijnen zien hun theologie dan ook als een postmoderne theologie. Opvallend is echter dat zij nu onder meer teruggrijpen op denkers uit de pre-moderne tijd, met name op Middeleeuwse scholastici als Thomas van Aquino, Duns Scotus en Anselmus. Hun betogen doen dan ook nogal eens denken aan de spitsvondigheden die ook de scholastiek ooit voortbracht. Brümmer: "Het is ons te doen om het Anselmiaanse fides quaerens intellectuni; het geloof zoekt begrip van zichzelf. Er wordt dus niet meer gezocht naar bewijs." Maar er is een belangrijk verschil tussen de Utrechtse theologie en haar Middeleeuwse voorgangers, en dat ligt op het gebied van de waarheidsaanspralcen. Want waarheidsaanspraken heeft de Utrechtse theologie niet meer of minder dan elke andere bewering volgens de postmoderne kentheorie kan claimen. Brümmer: "De waarheid van een specifieke bewering moet getoetst worden aan de vraag: is die coherent met mijn body of beliefs, met het geheel aan opvattingen dat ik erop na houdt? En dat geheel aan opvattingen moet getoetst worden aan de 199s
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1995
VU-Magazine | 588 Pagina's