VU Magazine 1995 - pagina 489
'Oipheus harp spelend' van Paulus Potter, uit 1650: "Die had er oog voor; vakkundig en tot in detail gelijkend. ne landschapselementen zijn nu schaars, zo'n boom staat de boer in de weg." Vogelgids Het is uitgesloten om het Rijksmuseum te bezoeken zonder even bij 'de Nachtwacht' aan te wippen. Dus gaan we de trap weer op en lopen door een brede gang naar nationaal kunstbezit nummer één. In een nis ziet Edelaar 'Het drijvende veertje' van Melchioi d'Hondecoeter. "Een oude menagerie", zegt hij, "en geschilderd door een liefhebber. Alleen de wielewaal heeft een veel te onregelmatig, bultig verenkleed. d'Hondecoeter moet een dood exemplaar hebben gezien, het verenkleed verandert na hun dood. Het klopt wel, wielewalen zijn schuw, ze zitten in de toppen van de bomen en je krijgt ze levend nauwelijks te zien. De bergeend, de smient, de pijlstaart, de grote zaagbek en de exotische vogels als de roodhalsgans en de kroonkraanvogel kunnen zo in een vogelgids."
'De Nachtwacht' bekijken we vluchtig; Rembrandt heeft er tenslotte weinig natuur op afgebeeld. Bovendien verslapt de aandacht; we sjouwen al een paar uur rond door het museum. Bij een boerentafereel uit het eind van de zeventiende eeuw staan we nog even stil. "Geen Fries zwartbont vee", zegt Edeiaar, "en meer afwisseling dan je nu in de wei ziet. Daar staan blaarkoppen. Ook de geiten en schapen zijn duidelijk minder eenvormig dan tegenwoordig. We hebben vandaag trouwens ook flink wat honden gezien en die zijn vaal<: van het type kooiker. Bouviers of herdershonden zie ik niet." We malden nu tempo richting uitgang, maar Edelaar kan 'Orpheus harp spelend' niet zomaar voorbij lopen. Paulus Potter heeft in 1650 een bonte verzameling dieren geschilderd, die op de muziek van de legendarische Griek afkwamen. "Die had er oog voor", zegt Edelaar waarderend. "Valckundig en tot in detail gelijkend." De suppoost komt erbij staan en wijst ons op een piepkleine krekel.
WETENSCHAP,
CULTUUR
et) SAMENLEVING
7
- NOVEMBER
Maar Edelaar verbetert hem: "Dat lijkt me een sprinkhaan. Die vlinders daar, zijn een koolwitje en een zandoogje en daar zit een groene kikker. Op de grond kruipt een adder, die aaskever is een doodgraver en de libelle is een viervlek. De zoogdieren zijn gemalckelijk herkenbaar. Een waterbuffel, een wolf, een mol, een nijlgau en leeuwen. In Griekenland zaten niet zo lang geleden inderdaad nog leeuwen." Het werk van Potter is zo nauwkeurig, dat Edelaar op details begint te letten en voor het eerst een paar kritische opmerkingen plaatst. "Helemaal klopt het niet", zegt hij. "Op die zuring zit een hommel. Dat is niet erg waarschijnlijk, zuring wordt niet door insekten, maar door de wind bestoven. Een slip van de penseel lijkt me. Klaprozen groeien niet in zo'n ongerept bos maar op verstoorde grond. En aan die eenhoorn zie je dat alles in dit museum uiteindelijk berust op de visie van de kunstenaar; op fantasie dus."
199;
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1995
VU-Magazine | 588 Pagina's